Doorgaan naar hoofdcontent

Alice Munro. Dear life. New York: Vintage Books, 2012.

De heterofilie, dat is toch eigenlijk ook een wonder. Nee, ik heb het niet over de seksualiteit, dat is iets met hormonen en zo, en aangeboren. Maar de filie. Dat je van iemand houdt, dat je besluit je leven te delen met iemand die je eigenlijk niet begrijpt. Die je eigenlijk maar beter niet kunt begrijpen, want die ander moet anders zijn – anders was je immers geen heterofiel.

Ja, je kunt ook nog denken dat die ander je alleen maar aanvult, maar zo zit het in de verhalen van Alice Munro in Dear Life in ieder geval niet. In bijna ieder van die verhalen komt een man een vrouw tegen, of een vrouw een man, en gebeurt er iets tussen die twee – iets wat je soms in ieder geval voor liefde zou kunnen verslijten – terwijl de personen elkaar bijna niet begrijpen. Een van de twee is dan ook nog vaak een buitenstaander, iemand die van ergens anders vandaan komt, met de trein, of met de auto, en de lokale zeden misschien niet goed begrijpt.

Je krijgt het hele verhaal vervolgens te zien vanuit een van de perspectieven: dat van de man of dat van de vrouw, dat van de lokale persoon of dat van de vreemdeling. Het maakt eigenlijk allemaal niet uit. Het gaat er vooral om dat je elkaar niet kent. De bejaarde man die samen met jou fantasietjes had over gezamelijke zelfmoord blijkt vroeger een vriendin te hebben, een dokter in een verpleeghuis die met je zou trouwen wil je toch niet hebben. De personen lopen eigenlijk allemaal een beetje in het duister te tasten – terwijl het tegelijk heel duidelijke verhalen zijn.

Wel op de een of andere manier de verhalen van een oudere vrouw, trouwens, en niet alleen door het duister waarin iedereen tast, of door het feit dat veel van de verhalen zich in het verleden afspelen, maar vooral ook door de toon van die verhalen, de rijpere, vollere toon. Of nou ja, wat weet ik ervan, ik heb nog nooit eerder iets van Alice Munro gelezen. Alweer een gat gevonden dat ik maar eens moet opvullen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …