Doorgaan naar hoofdcontent

Edward Frenkel. Love and math. The heart of hidden reality. Basic Books, 2013

Het Langlands-programma is een van de diepzinnigste en verwarrendste ideeën van de afgelopen decennia. Je zou verwachten dat de kiosken vol stapels boeken over die opmerkelijke gedachte zouden liggen. In werkelijkheid had ik er nooit eerder over gehoord voor ik dit boek las.

Edward Frenkel is een prominente wiskundige van mijn leeftijd — iemand met een enorme rijke staat van dienst op het gebied van de wiskunde, iemand die als jonge twintiger al toetrad tot de staf van Harvard en tegenwoordig op Berkeley werkt; bovendien iemand met een boeiend levensverhaal en een talent om zijn enthousiasme voor de wiskunde over te brengen. Maar ook van hem had ik nog nooit gehoord.

Love and Math is Frenkels boek over het Langlands-programma, waarin hij heel duidelijk en toch kennelijk met enige diepte uitlegt wat dit programma behelst: het vermoeden dat allerlei heel uiteenlopende takken van de wiskunde met elkaar te maken hebben: dat een aantal gebieden die onafhankelijk van elkaar ontwikkeld zijn, zich uiteindelijk toch in elkaar weerspiegelen. Er blijken bovendien ook nog een aantal parallellen te zijn met de fysische snarentheorie. Er lijken dus allerlei mysterieuze aspecten bestaan tussen sommige aspecten van de werkelijkheid.

Frenkels eigen leven, dat hij met het verhaal van het Langlands-programma verweeft, is ook fascinerend. Het antisemitisme was in de einddagen van de Sovjetunie zo virulent dat zijn pogingen om wiskunde te studeren ondanks zijn evidente talent werden gefrustreerd. Tegelijkertijd waren er individuele wiskundigen die hem onder hun hoede namen, en bovendien kwam de perestrojka net op tijd, zodat hij naar Harvard kon ontkomen.

Ik wist dat niet, dat er zoveel zo openlijk antisemitisme was in de Sovjetunie in de jaren tachtig. Zo leer je van alles in dit meeslepende boek, dat mijn kijk op de dingen voor altijd veranderd heeft, of toch minstens een beetje.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …