Doorgaan naar hoofdcontent

Lieke Marsman. De eerste letter. Amsterdam: Van Oorschot, 2014.

Volgende maand schrijf ik hier 10 jaar vrij systematisch over alle boeken die ik gelezen heb. Er zijn twee soorten uitzonderingen. In de eerste plaats de boeken waarover ik elders al geschreven heb. En in de tweede plaats zijn het poëziebundels.

Er zijn twee soorten problemen met die bundels. In de eerste plaats vind ik het moeilijker om over zo'n bundel iets te zeggen dan over verhalen of over non-fictie. In de tweede plaats weet ik niet altijd zeker wanneer ik nu precies klaar ben met het lezen van zo'n bundel. Ik heb er bijna altijd wel een onder mijn hoede en daar lees ik dan een tijdje in. Op zeker moment houd ik er ook weer mee op, min of meer. Hoewel ik een week later misschien nog wel terug ga naar een gedicht – of een maand later, of twee maanden later. Wanneer ga ik er dan over schrijven.

Lieke Marsman is een jonge dichteres, je zou zeggen dat ze bejubeld werd als de groep poëzielezers groot genoeg was om iemand te bejubelen. In haar tweede bundel, De eerste letter, schrijft ze strofen als:

nu ga ik een ijsje voor je kopen
nu moet je met me meelopen naar mijn huis
en me kussen op een moment dat mij uitkomt
nu gaan we samen een volkstuintje beginnen
nu gaan we zeshonderdkilometer reizen
om elders even thuis te zijn
nu leg jij ons toekomstige kind in bed
nu ga ik honderd keer zeggen dat er ruimte is

Op de een of andere manier is dit een heel erg vroeg-21e-eeuws gedicht, al kan ik er niet makkelijk de vinger op leggen waarom dat zo is. Op de een of andere manier is dit gedicht heel duidelijk door een jonge Nederlandse vrouw geschreven, al kan ik dat ook moeilijk analyseren. Het heeft met elkaar te maken, en met de licht kinderlijke toon en het kokketeren met lichtelijke warrigheid. Neeltje Maria Min was er lang geleden een voorbode van, van deze toon. Inmiddels is er een hele dichteressen opgestaan die het overgenomen heeft.

Ik ben er geloof ik niet zo dol op. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het slecht is. Het is duidelijk dat het werk van Lieke Marsman bijvoorbeeld sterk in elkaar zit – het spel met ij en ui in de aangehaalde strofe is sterk, er staan goede regels in deze bundel en geen slechte. Het laat misschien zien dat ik te oud ben, of dat zelf niet bepaald een meisje, of dat er in de poëzie voor ieder wat wils is, en dit toevallig niet behoort bij wat ik wil.

Ik moet daar dan eigenlijk niet over schrijven maar heb het bij dezen toch gedaan.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …