Doorgaan naar hoofdcontent

Peter Unger. Empty Ideas. A Critique of Analytic Philosophy. Oxford: Oxford University Press, 2014.

Ik ben dit boek vooral gaan lezen omdat een vriendin van me zich er deze week heel boos over maakte. Niet dat die vriendin het boek gelezen had: ze had alleen dit interview met de auteur gelezen, waarin Peter Unger zich doet kennen als iemand die zichzelf vreselijk intelligent vond, veel slimmer dan vrijwel al zijn collega-filosofen. Maar de boosheid kwam vooral doordat die Unger zich nu, na een lange carrière met goedbetaalde banen in de analytische filosofie, ineens zo vreselijk begon af te geven op diezelfde filosofie zonder zijn baan op te geven.

Ja, dat is allemaal leuk en aardig, maar dat stuk is natuurlijk maar een geschreven weergave van een interview, waarin een ironisch grapje zomaar ineens tot een teken kan worden van opgeblazen zelfingenomenheid.

Dus moest ik dit boek lezen. En constateren dat het eigenlijk niet meer inhoud heeft dan het interview.

Nee, de zelfingenomenheid staat er niet in: Unger beweert in het boek niet expliciet dat hij slimmer is dan zijn collega's. Wel valt hij allerlei collega's aan – de beroemdste Amerikaanse filosofen krijgen allemaal een keer een beurt –, maar dat lijkt me iets anders.

Het probleem is vooral dat het zo onduidelijk is waar de aanval over gaat. Unger begint zijn boek met een technisch verschil te maken tussen (concreet) lege ideeën en substantiële ideeën. De laatste gaan over zaken die op de een of andere manier in de tijd bestaan, de eerste niet.  Oké, fijn, waarom niet. De meeste natuurwetenschappen gaan in dat opzicht over substantiële ideeën, want ze zeggen iets over de zich in de tijd ontwikkelende werkelijkheid.

Vervolgens verwijt Unger zijn collega's echter dat ze zich vooral met lege ideeën bezig houden, ideeën die niet onmiddellijk betrekking hebben op de 'concrete' werkelijkheid. Dan is het begrip 'leeg' dus zonder overgang ineens een scheldwoord geworden. Terwijl je natuurlijk kunt zeggen: ideeën over hoe we de zaken die zich aan ons voordoen het beste kunnen bezien, hoe we het beste kunnen nadenken, enz., dat alles heeft ook een zeker bestaansrecht. Unger verwijt de filosofie dus eigenlijk alleen dat ze geen wetenschap is, maar dat is nogal vreemd, een beetje alsof je de literatuur zou verwijten dat ze verslag doet van zaken die helemaal niet echt gebeurd zijn.

In het interview, maar niet in het boek, zegt hij dat filosofie dus ook een soort literatuur is, maar dat lijkt hij eigenlijk als een disqualificatie te zien, het komt op hetzelfde neer als zeggen dat het een spelletje is, een tijdverdrijf. Bovendien verwijt hij de filosofen dan weer dat ze zo wetenschappelijk schrijven, zo weinig toegankelijk. Tja.

Zijn eigen stijl is trouwens opvallend: die is vooral heel levendig, vol details die weinig met het argument te maken hebben en er alleen lijken te staan om de levendigheid te vergroten. (Hij heeft het over een idee van Kripke dat een tafel die van hout is niet net zo goed eerst van ijs kan zijn gemaakt, en dan gaat hij dat beeld van die ijstafel in een ijskamer helemaal invullen, inclusief slagers die op die ijstafel hun hakwerk doen.)

Al met al een curieus boek. Ik kan me voorstellen dat een enkele collega van Unger, voor zover die niet van woede stikt, er wat aan kan hebben om kritisch over het eigen vak na te denken. Maar op de buitenstaander maakt het vooral de indruk van een hoogleraar op leeftijd die enerzijds teleurgesteld is geraakt in zijn idealen uit het verleden, en anderzijds graag de aandacht op zichzelf gevestigd ziet.

Precies zoals mijn vriendin al zei op basis van dat interview.

Reacties

mister.E. zei…
Google: Ik heb nog steeds gelijk mijn correspondentie met Toy van Nooijen

http://ffcheckenofditkan.blogspot.com



https://www.google.nl/search?num=100&site=&source=hp&q=toy+is+mijn+eeuwige+liefde&oq=toy+is+mijn+eeuwige+liefde&gs_l=hp.12...2577.12206.0.16243.26.26.0.0.0.0.325.2527.19j5j1j1.26.0....0...1c.1.64.hp..0.13.1511...0j0i131k1j0i131i10k1j0i22i30k1j0i19k1j0i22i30i19k1j0i13k1j0i13i30k1j0i22i10i30k1j33i21k1.bD29SBfG8RE

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…