Doorgaan naar hoofdcontent

Peter Sloterdijk. Du musst dein Leben ändern. Suhrkamp, 2013 (2009).

Er zijn tijden geweest, nog niet eens zo heel lang geleden, dat ik een boek als dit onmogelijk uit zou hebben gekregen. Een boek waarin zulke grote woorden worden gebruikt, een boek waarin de mentaliteitsgeschiedenis van zo'n beetje de hele mensheid – zij het met een duidelijk brandpunt in Duitsland – in een paar honderd bladzijden wordt samengevat en een en ander bovendien wordt besloten met een vooruitblik op hoe het nu vanaf hier allemaal verder moet: ik zou het nooit uitgekregen hebben.

Maar mijn leven verandert gelukkig voortdurend. Er is niets prettiger dan dat je wereld zich uitbreidt en dat je ineens genoegen kunt beleven aan iets waarvan je ooit de waarde niet zo in zag. En dat is me nu dus gebeurt met moderne Duitse wijsbegeerte, met Sloterdijk.

Het helpt dat het boek in zekere zin is opgehangen aan een gedicht dat mij al minstens dertig jaar begeleidt: Archaischer Torso Apollos van Rilke. (De titel van dit boek is het slot van dat gedicht.) Dat gedicht heb ik als scholier gelezen, het heeft ervoor gezorgd dat ik nog altijd Rilke lees. En dit boek is in zekere zin één groot exposé dat de kracht van die regel, van dat gedicht uitlegt: dat laat zien hoeveel het zegt over het menszijn – de kans dat je wordt gegrepen door een kapot beeld van een allang dode Griekse god, met de overtuiging dat ook jij boven jezelf uit moet stijgen, dat er meer is op de wereld, dat het anders moet, dat je je leven inderdaad moet veranderen. Dat dit hard werken zal zijn en dat dit ook precies het punt is.

Het lezen van Du musst dein Leben ändern is overigens ook zelf vooral een literair genoegen. Het gaat niet zozeer om de enorm diepe boodschap van het geheel – in alle bescheidenheid geloof ik dat ik die met het bovenstaande wel zo'n beetje heb samengevat. Het gaat om de enorme stroom aan observaties en associaties die Sloterdijk achteloos en tussen neus en lippen door en waardoor je ineens dingen ziet die je nooit eerder ziet: dat klassieke componisten als Haydn en Mozart, met hun vermogen om op ieder willekeurig opgegeven thema een meesterlijke improvisatie te maken, eigenlijk de laatste sofisten waren, die het immers ook als hun opgave zagen om over ieder willekeurig standpunt ter plekke een briljant overtuigende toespraak te houden. Of dat de atleten, met hun bereidheid om alle lichamelijke genoegens opzij te zetten om zo hoog mogelijk te reiken, de nazaten van de ascetische heiligen zijn.

En dan zoveel virtuositeit in een boek dat gaat over het belang van virtuositeit – het is verslavend. Ik ga er meer van lezen.

 

Reacties

Populaire berichten van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …