Doorgaan naar hoofdcontent

Edgar Allen Poe. The Fall of the House of Usher. Gutenberg, 1997 (1838).

Dat ik dit onmiddellijk gelezen heb na Pedro Páramo is, voor zover ik kan nagaan, toeval. Twee verhalen over iemand die in een onwerkelijke situatie komt, in een concrete plek waar niet meer valt na te gaan of de mensen nu leven of dood zijn, al zijn ze dan geschreven met honderd jaar afstand (en zou ik geen invloed van Usher of Páramo kunnen aantonen).

Alleen: The Fall of the House of Usher raakte me helemaal niet. Ik merkte het doordat ik op allerlei dingen ging letten die eigenlijk niets met het boek zelf te maken hebben. Zo begon ik me af te vragen aan welke taalkenmerken je nu zou kunnen zien dat dit verhaal stamde uit het begin van de 19e eeuw, en waaraan je zou kunnen aflezen dat Poe een Amerikaan was. Het lijkt me niet dat het Poe daarom te doen was, en bovendien kun je je soortgelijke vragen stellen bij écht elke willekeurige tekst die je toevallig te lezen krijgt en waarvan je weet wanneer hij geschreven is en door wie.

Het had geen effect op me, misschien omdat horrorverhalen zelden of nooit effect op me hebben. Je kunt angst niet op me overdragen met een verhaal; ik ken de emotie natuurlijk wel, maar hij wordt niet bij me opgewekt terwijl ik iets lees op de manier waarop bijvoorbeeld vrolijkheid of boosheid, liefde of afkeer dat wel kunnen. Dat zal wel iets eigenaardigs in mijn hersenen zijn, maar het maakt dus dat ik zo'n verhaal met gruwelen automatisch alleen maar intellectueel kan bekijken, en dan zie je een verhaal waarvan de boodschap is dat alles gedoemd is te eindigen en in elkaar te storten. Ja, zo is dat, denk je dan.

Bij Pedro Páramo gaat het geloof ik ook niet om de angst, maar meer om vervreemding. En dát krijg ik wel zo gevoeld, daar hoef je me bij wijze van spreken maar drie min of meer samenhangende zinnen voor voor te schotelen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…