Doorgaan naar hoofdcontent

Sylva Plath. The Bell Jar. Harper, 2006 (1963)

Hoe is het om een jonge vrouw te zijn van 19 die in de jaren 50 studeert aan een Amerikaans vrouwencollege en een prijs wint waarmee ze een maand lang een betaalde stage mag doen bij een belangrijk tijdschrift in New York? Zulke dingen vraagt een mens zich zelden af, maar Sylvia Plath drukt de lezer er met zijn neus bovenop. Wie aan The Bell Jar begint, zit binnen de kortste keren in het hoofd van Esther.

Er zijn weinig romans waarvan iedere pagina eenzelfde enorme lucide indruk maakt. Vaak zijn er in zo'n boek toch passages van enkele bladzijden die vooral nodig lijken om van de ene passage naar de andere te komen, maar The Bell Jar is zoals je in de opera zegt helemaal doorgecomponeerd. De muziek houdt niet op.

En langzaam maar zeker voert die muziek je daardoor mee de waanzin in, de waanzin van de somberste depressie, die waarin jij als jonge succesvolle vrouw met de wereld aan haar voeten ineens beseft hoe klein die wereld eigenlijk is, hoe zeer er bijvoorbeeld van je verwacht wordt dat je natuurlijk een man gaat vinden, en kinderen. En voor je het weet zie je de wereld vanonder een glazen stolp en ben je alleen nog maar aan het bedenken hoe het is om zelfmoord te plegen. Totdat je een poging onderneemt en terecht komt in een psychiatrische inrichting.

Het wonder is dat je die doffe, afgedopte wereld van onder de glazen stolp in zulk zeldzaam helder en precies proza krijgt aangereikt, dat je niet anders kunt dan meegaan met de auteur. Die een paar maanden na voltooiing van de Bell Jar weer onder de stolp terecht kwam, en zelfmoord pleegde.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …