Doorgaan naar hoofdcontent

Theodor Storm. der Schimmelreiter. Gutenberg, z.j. (1888)

Is het niet absurd om de brandende ambitie te hebben om dijkgraaf te worden, zoals Hauke, de hoofdpersoon van Der Schimmelreiter? Wat is dat voor ambitie, wat schiet je daarmee op om dat te zijn? Je hebt enorme zorgen, moet altijd werken, en boven je komt nog altijd de Oberdeichgraf te staan.

Toch is er niets dat Hauke liever wil dan dat. Hij brandt vanaf zijn vroegste jeugd van de ambitie, zet alles op alles om die ambitie te bereiken en zelfs wanneer hij de baan heeft wil hij bewijzen dat hij geen dijkgraaf is geworden omdat hij met de vrouw van de vorige dijkgraaf is getrouwd, maar omdat hij zelf zulke grote kwaliteiten heeft.

Het verhaal is natuurlijk een sprookje – er wordt duidelijk gemaakt hoe het is doorverteld, het komt volgens de verteller uit een tijdschrift, in dat tijdschrift vertelt iemand dat hij het heeft gehoord van een oude schoolmeester, en het heeft een soort mythisch einde, want Hauke blijft op zijn schimmel rond waren.

Het is een sprookje over modernisering: Hauke wil een nieuwe dijk bouwen op een nieuwe manier (er mogen geen levende honden meer worden ingegraven om de dijk te bewaken tegen gevaren) en daar ontstaat allerlei verzet tegen, ook al omdat hij zelf vooral van het nieuw ontstane land lijkt te profiteren. Maar het is vooral een sprookje over management.

Want is zo'n dijkgraaf niet gewoon een middle manager? En zijn er niet nog steeds honderdduizenden die ervan dromen om zo'n belangrijke positie te bekleden waarin ze allerlei veranderingen kunnen doorvoeren, ook als – juist als – niemand dat ziet zitten? Mensen die alles op alles zetten om zoiets belanrijks door te voeren en daar ook van mogen profiteren, bijvoorbeeld door een mooie schimmel (pardon, een auto) te kopen? En daar voor eeuwig op rond te rijden?

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…