Doorgaan naar hoofdcontent

Elena Ferrante. L'amica geniale. Edizione e/o, 2012.

Tegen het eind van deze roman noemt Lila haar vriendin Elena 'mijn geniale vriendin'. Elena is de vertelster van de roman en tot dat punt heeft vermoedelijk iedere lezer het idee dat Lila het genie is van de twee: ze heeft weliswaar weinig formele scholing, maar ze heeft zichzelf Grieks en Latijn geleerd en de hele bibliotheek verslonden in de Napolitaanse wijk waar Lila en Elena wonen, ergens in de jaren vijftig.

De twee vriendinnen zijn, kortom, aan elkaar gewaagd. Beide zijn bezig op te klimmen uit die wijk – Elena door te studeren, Lila door, aan het eind, te trouwen met de zoon van de succesvolle slager. Beide komen die wijk nauwelijks uit. Beide hebben wel wat preuts gedoe met jongens, maar voor beide is het centrum van de aandacht toch vooral de ander.

Taal speelt een wonderlijke rol in het boek. In de eerste plaats is de stijl betrekkelijk eenvoudig en daardoor kraakhelder. Ook mijn op veel te late leeftijd verworven Italiaans is ruim genoeg om het verhaal zonder enige problemen of woordenboek heel precies te kunnen volgen. Tegelijkertijd is het verhaal psychologisch juist heel subtiel. Nog nooit heb ik het volksleven uit de jaren vijftig zo overtuigend onder woorden gebracht gezien.

Maar taal speelt ook op een andere manier een rol. De dialogen zijn allemaal in het Italiaans uitgeschreven, maar regelmatig wordt er wel bij vermeld dat deze of gene iets in het dialect zegt – of juist Italiaans. Die codewisselingen krijgen zo juist extra betekenis. Bovendien is Elena bezig natuurlijk juist via de taal te ontsnappen – de lessen in de klassieke talen zijn duidelijk de belangrijkste, vanaf hun vroegste jeugd kijken de meisjes op tegen de man die een dichtbundel geschreven heeft (en trouwens al snel een nare viezerik blijkt) en tegen het eind heeft Elena zelfs haar eerste artikel ter publicatie aangeboden aan een onooglijk grijs tijdschriftje.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …