Doorgaan naar hoofdcontent

Richard Dawid. String Theory and Scientific Method. Cambridge: Cambridge University Press, 2015.

Wordt de natuurkunde eindelijk volwassen? Je zou het bijna zeggen, wanneer je Richard Dawids boek over de snaartheorie leest. Het boek buigt zich over de vraag in hoeverre deze natuurkundige theorie nog een wetenschappelijke theorie kan heten; over die kwestie bestaat namelijk sinds enkele jaren een controverse binnen de natuurkunde zelf: een bepaalde groep natuurkundigen verzet zich tegen het feit dat de theorie niet te testen valt tegen (nieuwe) empirische gegevens.

Dawids betoog is helder. Hij zet nauwkeurig uiteen wat het belang is van empirie voor de ontwikkeling van nieuwe wetenschappelijke theorieën; maar even duidelijk laat hij zien dat er ook buiten-empirische criteria gebruikt kunnen worden, zoals de inzichtelijkheid van een theorie, of het feit dat er geen alternatieven is.

En hij vertelt dat zoiets geen nieuws is voor andere vakgebieden. Hij gebruikt de paleontologie als voorbeeld: daar moet je het zo vaak doen met incomplete en nooit meer de completeren gegevens dat de theorieën die je opbouwt op een heel andere manier moeten worden opgebouwd.

Of dat de kritische natuurkundigen zal overtuigen, weet ik niet. Zij kijken soms ook neer op die andere wetenschappen, vanuit het comfortabele standpunt dat het bij hun allemaal beter is, dat er altijd wel een experiment gedaan kan worden. Maar Dawids betoogt dat dit, los van de snaartheorie, voor bepaalde vormen van fundamentele natuurkunde toch al een probleem wordt. De theorievorming is nu zo ver gevorderd dat je om een en ander te testen absurd hoge energieniveaus zou moeten gebruiken. Je kunt dan de tent sluiten, of je kunt overgaan op de criteria van andere wetenschappen.

Ik kan me voorstellen dat niet iedereen Dawids gelooft – hij is immers een filosoof (al is hij ook zeer goed op de hoogte van de moderne natuurkunde), en waarom zou iemand uit zo'n bij uitstek onempirische discipline kunnen uitleggen hoe het moet? Het is toch een beetje een betoog dat uit de theorie uitlegt dat theorie an sich belangrijk is.  Ik vind het trouwens ook jammer dat hij niet erg ingaat op de wetenschapssociologische argumenten die soms tegen de snaartheorie zijn ingebracht: dat de dominantie ervan andere pogingen om tot unificatie te komen tegenhouden, en dat de methode die domineert in de discipline er een is van puzzeltjes oplossen in plaats van wijdse wilde wegen in te slaan. Maar alles bij elkaar is dit toch een interessante studie – ook als je werkt in een andere discipline, waar de relatie tussen empirie en theorie deels weer een heel andere is.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

Pauline Slot. Dood van een thrillerschrijfster. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2016.

Er zijn te veel schrijvers in de wereld, en te weinig lezers. Zo zit het in ieder geval in de wereld van Pauline Slots nieuwe roman Dood van een thrillerschrijfster. In het hele boek komt er, afgezien van een enkele Griek, slechts één persoon voor die niet schrijft maar leest – al lijkt zelfs deze Stephen even te flirten met de gedachte dat hij weleens een kookboek zou willen maken.

Het boek speelt zich af in een schrijversretraitecentrum in Griekenland dat gedreven wordt door een Nederlandse schrijfster en haar Canadese man (de lezer). Een paar weken per jaar stellen zij hun huis open voor Nederlands- en Engelstaligen die er aan hun boek werken.

Waarom willen al die mensen schrijven? Vooral om schrijver te zijn. Waarom willen ze schrijver zijn? Dat wordt niet helemaal duidelijk, al gaat het er bij de meesten vooral om dat ze rijk en beroemd willen worden. (Er zijn er ook die een intrigerende dichtbundel schrijven of een proefschrift, maar zij zijn in de minderheid.)

Dood van een thril…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…