Doorgaan naar hoofdcontent

Toon Tellegen. De werkelijkheid Amsterdam: Em. Querido, 2014.

Ik ben bang dat ik uit Toon Tellegen gevallen ben. In het verleden was ik wel gecharmeerd van met name zijn gedichten, al heb ik ook wel wat van zijn dierenverhalen gelezen, en zijn verhalen over 2 oude vrouwtjes, en een roman over een opa uit Siberië of zoiets. Dat moet allemaal al een behoorlijke tijd geleden zijn, want in dit leeslog is niets van dat gecharmeerd zijn terecht gekomen.

Het is dus ook al een behoorlijke tijd geleden dat ik iets van Tellegen las – en ofwel zijn werk heeft alle bekoring voor mij verloren, of deze bundel is minder dan de andere. Voor het laatste vind ik geen aanwijzingen, want in de recensies op het internet worden er allerlei kwaliteiten genoemd van het werk die mij vroeger ook aanspraken, denk ik: het licht absurde, het laconieke.

Maar het zegt mij allemaal niets meer. Ik vind de toon vooral koket, ik vind het absurde wat gemakzuchtig. Het doet me een beetje denken aan het dichtwerk van Alfred Brendel, maar dat heeft als voordeel dat het nadrukkelijk als tussendoortje wordt gepresenteerd en vooral dat het af en toe echt onweerstaanbaar grappig is. Tellegen wil meer een glimlach opwekken – en dat doet hij bij mij helaas niet.

Hier is een willekeurig gedicht uit de bundel (van de website van de VSB-prijs, want daarvoor is Tellegen genomineerd):

Huizen

Ze bouwen met opzet scheve huizen
die langzaam verzakken,
met gladde vloeren waarop je vroeg of laat zult vallen
met blijvend letsel als gevolg,
huizen waarin je elkaar wel naar het leven moet staan,
waarin kwaadaardige schimmels op de muren groeien,
met kelders waaruit giftige dampen oprijzen
en waarin het lugubere gekerm van stervende ratten weerklinkt,
huizen waarin dagelijks brand uitbreekt,
     die de brandweer niet langer wenst te blussen,
waarin de ramen ’s nachts worden ingegooid
en waarnaast buren zich vestigen om het leven ondraaglijk te maken
     met fascistische liederen en koningsgezind geschreeuw,
huizen zonder verwarming en zonder beschutting,
     met motten, luizen, vlooien, mijten, ranzige etensluchtjes
en deuren die niet meer dichtgaan,
en waarin alleen mensen kunnen wonen die pijn hebben, zich machteloos voelen
en van elkaar houden

mensen die van elkaar houden.

Wat is dit precies anders dan een nogal omslachtige en kokette manier om te zeggen dat de liefde de grootste ellende overwint, dat alles vreselijk naar kan zijn en er toch liefde is? Wat valt er onderwerg te genieten?

Waarom moest dit gedicht er komen, wat zijn we opgeschoten nu het er is? Ik denk dat ik het ooit geweten heb, maar ik weet het niet meer.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …