Doorgaan naar hoofdcontent

Eli Maor. "e". The Story of a Number. Princeton and Oxford: Princeton University Press, 2015 (1994)

Leonhard Euler, een van de grootste wiskundigen aller tijden, was een speelse man die er niet voor terugdeinsde om in gedachten absurde paden in te slaan – zaken met elkaar te verbinden die op het oog geen enkele relatie met elkaar hebben. Met zijn kleinkind op schoot kon hij nog gaan rekenen aan de banen van Uranus of de relatie tussen de omtrek van de cirkel en rente op rente.

Hij heeft het getal e zijn naam gegeven. Dat het ook zijn initiaal was, was waarschijnlijk toeval, zegt Eli Maor in zijn geschiedenisboek over e. Euler was te bescheiden om zichzelf zo op de voorgrond te plaatsen.

Maor's boek is voorbeeldig vind ik. Het mengt op een aardige en aantrekkelijke manier 'externe' geschiedenis – de biografietjes van vooral 17e en 18-eeuwse wiskundigen met heel duidelijke en tegelijkertijd niet triviale uitleg van de fascinerende wereld die er verborgen zit achter het getal e: de vele op het oog totaal verschillende definities die je kunt geven en die allemaal tot hetzelfde leiden, de verbazingwekkende relatie met π, de prachtige logaritmische spiraal, en wie weet wat niet al.

Een van de fijne aspecten van het boek – en iets wat je zelden tegenkomt – is dat dat Maor ook zijn best doet een deel van de interne geschiedenis van de wiskunde te beschrijven: wat waren de wiskundige ideeën van Bernoulli en Euler? De inhoud ervan was natuurlijk op een bepaalde manier hetzelfde – de wiskunde is eeuwig waar, niet waar – maar Maor laat goed zien wat een verschil notatiewijzen kunnen maken, of hoe Euler zich nog een gewaagde 'slordige' omgang met het oneindige durfde verloorloven die een een moderne wiskundige niet meer zou toepassen.

Gaandeweg krijg je zo natuurlijk ook de geschiedenis van de calculus uitgelegd. Die was voor mij her en der een beetje weggezakt, maar Maors uitleg is in ieder geval voor mij precies op het juiste niveau. Over details in bewijzen wordt heengesprongen, maar zonder dat je het idee hebt dat je iets heel belangrijks mist. Wat is de wiskunde toch mooi!

Precies door die techniek word je deel van de ontdekking van de vele wonderen rondom dat vreemde getal, je voelt als het ware in ieder geval een deel van de opwinding: wat is er zo bijzonder aan 2.718281828...? Waarom lijkt er zoveel waarheid en schoonheid gegroepeerd te zijn rondom uitgerekend dat ingewikkelde getal? En over Euler zou ik ook weleens een heel boek willen lezen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …