Doorgaan naar hoofdcontent

James Shapiro. The Year of Lear. Shakespeare in 1606. New York: Simon & Schuster, 2015.

1606 was voor Engeland ongeveer een even chaotisch jaar als 2016. De pest woedde, rondom de relatief jonge koning James waren er de hele tijd allerlei geruchten, men dacht voortdurend dat hij in gevaar was of al gedood, zijn plannen om te komen tot een Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië wilden maar niet van de grond komen, en men verdacht 'de katholieken' van van alles en nog wat.

Tegen die achtergrond schreef William Shakespeare twee van zijn beroemdste stukken: King Lear en Macbeth. In The Year of Lear laat de Amerikaanse Shakespeare-kenner James Shapiro zien hoeveel die stukken en de werkelijkheid van dat jaar met elkaar te maken hadden: hoe de werkelijkheid doorsijpelde in de stukken, hoe wat Shakespeare moet hebben gelezen te maken had met discussies die werden gevoerd, hoe de schrijver de stukken gebruikt moet hebben om zijn tijd beter te begrijpen, hoe wij kennis over zijn tijd kunnen begrijpen om de stukken beter te begrijpen.

Een interessant deel van The Year of Lear gaat bijvoorbeeld over het begrip equivocation: expres zo spreken dat wat je zegt waarschijnlijk verkeerd geïnterpreteerd gaat worden, zodat je voor je eigen geweten niet liegt. Voor 1606 kwam het in het werk van Shakespeare eigenlijk niet voor; in dat jaar was er een enorm debat over een al dan niet werkelijk bestand handboek voor equivocation door katholieken en met name in Macbeth speelt het woord, en het begrip, een hoofdrol, ongeveer zoals de unie van het koninkrijk een cruciale rol speelt in King Lear: zonder dat de schrijver nu een eenduidig politiek standpunt aanneemt.

Ach, zou je kunnen zeggen, had deze woelige tijd ook maar schrijvers als Shakespeare. Maar gelukkig, zou je kunnen zeggen, heeft deze arme tijd in ieder geval nog geleerden als Shapiro met briljante ideeën als voor een boek als The Year of Lear.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…