29.12.16

Marcus du Sautoy. What we cannot know. Explorations at the Edge of Knowledge. London: 4th Estate, 2016.

Ik heb dit boek in geen enkel jaarlijstje gezien, maar ik geloof dat het 't beste is dat ik dit jaar gelezen heb. Of in ieder geval het beste dat dit jaar geschreven is en dat ik dit jaar gelezen heb.

In dit boek gaat Marcus de Sautoy, de beroemde Britse wiskundige en wetenschapscommunicator – hoogleraar Public Knowledge of Science in Oxford – na wat we, wat de wetenschap, nooit zal kunnen weten. Hoe de chaostheorie inhoudt dat we redelijkerwijs de toekomst nog het verleden ooit precies zullen kennen. Hoe de kwantumtheorie impliceert dat we sommige zaken sowieso niet kunnen voorspellen. Hoe filosofische problemen verhinderen dat we ooit echt in kaart hebben of we een ander bewust kunnen noemen. Hoe Gödel wiskundig bewees dat zelfs de wiskunde niet alles kan bewijzen.

Over een heleboel van die onderwerpen heeft de geïnteresseerde lezer van populaire wetenschap al regelmatig gelezen, maar Du Sautoy legt ze helder en prettig uit. Hij is persoonlijk zonder opdringerig te zijn, hij gebruikt een paar concrete voorbeelden waar dit mogelijk is, maar gaat er niet vanuit dat de lezer door iedere vorm van abstractie onmiddellijk wordt afgestoten. En juist door de grenzen van de kennis langs te gaan, komt een heleboel in een interessant nieuw verband te staan, en krijg je een beter beeld van een en ander. En begrijp je eigenlijk ook beter wat het is om wetenschapper te zijn: niet eens zozeer iemand die alles wil weten, maar iemand die lol heeft in het gaandeweg steeds beter begrijpen.

Er zitten ook wel wat zorgelijke kanten aan het verhaal. Doordat je het hier allemaal bij elkaar staat, wordt ineens duidelijk hoe oud de gepopulariseerde wetenschap inmiddels is. Het verhaal van de wetenschap is nog altijd dat van Einstein en Bohr, van Cantor, van Heisenberg. Het is een verhaal van het begin van de twintigste eeuw, zoals het ook toen ik veertig jaar geleden begon dit soort boeken te lezen vooral een verhaal van die periode was. Er is wat franje bijgekomen – de snarentheorie wordt even genoemd, en natuurlijk de experimentele bevestiging van bijvoorbeeld het bestaan van het Higgs-deeltje; de Stelling van Fermat is bewezen; bovendien is er nu een hoofdstuk over onderzoek naar de menselijke geest, maar die is het meest speculatief en het minst overtuigend. Maar in essentie leven we eigenlijk nog steeds in de nadagen van de grote klap van honderd jaar geleden.

Is de wetenschap inderdaad zo opwindend niet meer? Zijn die grote geesten die de wetenschap in een klap een heel andere draai gaven er nog wel, of voelen zij zich niet meer aangetrokken tot het wetenschappelijk bedrijf? En zou dat een reden zijn waarom sommige kwesties zo moeilijk te doorgronden blijken?

En daar dan tegenover: leven we nu dan juist weer niet in een tijd waarin de wetenschapscommunicatie hoogtijdagen viert? Waarin de ideeën eigenlijk vooral leven in werk zoals dit boek, waarin op een intelligente manier allerlei zaken aan elkaar worden verbonden?

Aan het eind van het boek geeft Du Sautoy als een conclusie dat onkenbaarheid vaak voortkomt uit het feit dat we onmogelijk buiten het systeem kunnen gaan staan. We zullen nooit weten wat zich buiten het observeerbare deel van het universum bevindt. Ons bewustzijn weet niet hoe ons bewustzijn werkt. We kunnen de oneindigheid niet vatten met ons eindige brein. Maar juist in dit soort, wat meer freewheelende werk kun je in ieder geval even buiten al die systemen stappen. Natuurlijk zit je dan uiteindelijk weer in je eigen systeem – maar het geeft wel een gevoel van vrijheid.

Geen opmerkingen: