Doorgaan naar hoofdcontent

Camille Paglia. Break, Blow, Burn. New York: Pantheon Books, 2005

Ik heb iets waarover ik nog nooit bij iemand anders heb gelezen: ik kan geen poëzie in vreemde talen lezen.

Ik houd enorm van gedichten, ik kan me uren verstoppen in een dichtbundel, als ik 's nachts niet slapen kan, zeg ik gerust een heel repertoire aan gedichten op voor mezelf. Maar allemaal in het Nederlands.

Ik lees ook heus wel andere talen: kranten, tijdschriften, essays, romans, allemaal met veel genoegen en veel plezier. Wanneer een boek geschreven is in een taal die ik voldoende beheers, ben ik doorgaans snobistisch genoeg om mijn neus op te halen voor het origineel.

Maar gedichten in een andere taal dan het Nederlands? Nee. Zelfs in het Engels niet, wat toch een van mijn sterkere talen. Ik kan heus wel de belangrijkste namen uit de traditie opsommen, en ik kan ook wel de klassiekers uit die traditie herkennen. Maar om nu te zeggen dat ik ooit voor mijn genoegen zo'n dichter ga lezen.

Op mijn oude dag wilde ik daar nog eens wat aan veranderen. Een tijdje geleden hoorde ik een paar lezingen van en interviews met Camille Paglia, en zij lijk me een interessante denker, dus kocht ik deze bundel met essays waarin ze telkens één gedicht bespreekt. Ze doet dat in dit boek ook competent, wat klassieker en in zekere zin braver dan ik had verwacht. Het zijn een soort lesjes in het lezen van gedichten zoals je die aan eerstejaarsstudenten zou kunnen geven.

Het is allemaal heel duidelijk en goed gedaan. Maar ik heb geen lesjes in het lezen van gedichten nodig, ik zou iemand nodig hebben die het Engels bij mij dezelfde emotionele snaren doet aanraken als het Nederlands doet. En zo iemand bestaat niet.

Het heeft er misschien mee te maken dat je een gedicht met je hele inzet leest, met alle associaties die ieder woord, die iedere klank in je losmaakt. De rijkdom aan herinneringen aan hoe dat woord eerder werd gebruikt, aan hoe het nu in het dagelijks leven klinkt, aan hoe het woord zich sinds de dichter gebruikte verder heeft ontwikkeld.

Dat bestaat misschien niet voor andere talen. Waarom hoor je daar dan nooit iemand over? Zou het echt iets zijn van mij alleen?


Reacties

ijsbrand zei…
Omdat het mij ook slecht lukt nogal wat Nederlandse of Friese poëzie te lezen, denk ik dat eenzelfde mechanisme opgaat voor andere talen. Lang alles niet is interessant. Tot soms wel 98% niet.

Waarom komt Philip Larkin bij mij wel binnen, en Ted Hughes absoluut niet? Raadsels zijn niet. Waarom alleen die laatste bundel van de oude Yeats, en heel de rest daarvoor totaal niet? Raadsels zijn het.

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …