Doorgaan naar hoofdcontent

Jeroen Brouwers: Het verzonkene. Amsterdam: Arbeiderspers, 1979

Niets kan een mens nostalgischer maken, dan literair gescheld uit de jaren zeventig. Een tijd waarin een schrijver nog op zoek moest gaan naar onderwerpen om over te schelden, omdat hij dat zo fraai kon! De wanhoop die erachter voelt: wat nu als het er allemaal niet meer toe doet omdat de wereld al eigenlijk volmaakt was?

Heerlijke tijden.

"Het verzonkene" schrijft Brouwers in de aantekeningen achterin dit boekje, "is mijn reactie op (ander andere, maar wel in hoofdzaak) het artikel Panoptikum. Het subjektivistiese proza van de jaren zeventig door Anthony Mertens." En dit nadat hij 144 pagina's tekeer is gegaan tegen dat 'subjektivistiese proza' in dan weer een heel andere vorm van proza, die Brouwers zelf vast heel mooi vond.

Het subjektistiese proza werd ook wel 'ander proza' genoemd; het was experimenteel van opzet, en het is om die reden eigenlijk nooit echt gelezen. Het was niet begrijpelijk genoeg. Waarom iemand, een andere schrijver, zich daar dan vreselijk over zou moeten opwinden, dat maakt Brouwers eigenlijk nooit duidelijk. Zijn voornaamste bezwaar was, geloof ik, dat dit 'andere proza' anders was dan dat van hem. "'Ban verswolm garnaal, mielt verteken mijn zwal", zo parodieert hij het andere proza ergens, om erop te laten volgen:
Zo, dus, schrijf ik niet, hoezeer ook dit 'een meer objektiverende manier van schrijven' wordt genoemd. Want verspilling vind ik het, zo te schrijven: verspilling van mijn taal nu ik al tot de minderheid in dit land behoor die de taal nog beheerst, verspilling ook van de kans die ik als voorlopig vrije, onbedreigde schrijver nog heb om neer te schrijven wat er aan de hand is, of, meer subjektivisties, wat er met mij aan de hand is, mij dunkt, dat komt op hetzelfde neer. Ik, een schrijver. Niet een stamelaar ben ik, en niet een misbruiker van wellicht vooralsnog de laatste mogelijkheid tot schrijven van het wezenlijke, het eerlijke, het woedendmakende, vordat het licht, opeens, van de ene seconde op de andere, uitflapt.
Het is allemaal heel paradoxaal, kunnen we nu wel constateren, nu het licht écht aan het 'uitflapperen' is, want wat heeft al dat 'wezenlijke' en 'eerlijke' en 'woedendmakende' opgelicht? Een fraai door de Arbeiderspers uitgegeven pamflet tegen het 'eerlijk proza'.

De schrijver verwijt zijn tegenstanders dat ze maar een beetje met taal spelen zonder dat het ergens over gaat. Hij doet dat in proza dat ook niet veel meer is dan een taalspel, en dat alleen gaat over zijn woede over dat andere proza. Ja, hij beweert daarbij dat hij behoort tot een 'minderheid' 'die de taal nog beheerst', maar dat klinkt nogal puberaal, al past het ook in een Nederlandse traditie: die van de schrijver die een enorm goede stijl suggereert door wat maniertjes, een overvloed aan komma's en de met veel aplomb gebrachte claim dat hij de enige is die de taal beheerst (W.F. Hermans en Rudy Kousbroek hoorden in de jaren zeventig ook tot die traditie).

Ook met dat machteloze gescheld op onbeduidende tegenstanders schaarde Brouwers zich trouwens in een traditie, waarvan Lodewijk van Deyssel de beroemdste voorman was (en W.F. Hermans en Gerrit Komrij ook voorbeelden). Wat de lol ervan is, was in de jaren zeventig al duidelijk.

Het genre is inmiddels geloof ik ook uitgestorven, misschien omdat er nu over serieuzere onderwerpen gescholden, pardon, 'gepolemiseerd' kan worden. Brouwers schreef nog: "Ik zal schrijven: onze huidige minister-president is een zak met windkloten" (nee, ik weet ook niet wat dat zijn, hoor, windkloten, maar ik beheers het Nederlands ook niet, en het zal dus wel literatuur zijn). Dat ging over Dries van Agt.

Inmiddels is er waarschijnlijk niemand meer die niet terugverlangt naar de tijd van Van Agt. Maar Jeroen Brouwers is uitgeschreven en boekjes als De verzonkene liggen gratis op het Centraal Station in Utrecht.

Kon nog maar iemand zich boos maken over 'ander proza'.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…