Doorgaan naar hoofdcontent

Peter Singer. The Most Good You Can Do. How Effective Altruism Is Changing Ideas About Living Ethically. New Haven and London: Yale University Press, 2015.

Sommige Gutmenschen onder ons rommelen maar wat aan. Ze geven nu eens aan dit goede doel en dan aan dat. Ze schrijven vrome kreten op Twitter. Ze verspillen uren van hun tijd aan eindeloze vergaderingen om een bepaalde paragraaf in het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Dieren juist te formuleren.


Zij zouden The Most Good You Can Do moeten lezen. Dat is een recent boek waarmee de Australische filosoof en dierenactivist Peter Singer onze manier van kijken naar 'het goede leven' radicaal wil veranderen.

Wie goed wil leven, zegt Singer, moet alles in dienst stellen van het opheffen van het lijden. En hij moet dat bovendien zo efficiënt doen, door bijvoorbeeld zo snel mogelijk carrière te maken bij een bank, en keihard te onderhandelen over een torenhoog salaris. En dan 80% van dat geld weg te geven, aan op een rationele manier gekozen goede doelen.

Roofkapitalistische bank

Stel, je hebt de keuze, zegt Singer. Je kunt bij een goededoelenorganisatie gaan werken of bij een bank. Bij die goededoelenclub kunnen ze vast iemand vinden die het werk ongeveer even goed doet als jij. Maar als je bij die bank gaat werken, kun je scheppen met geld verdienen waardoor de goededoelenclub uiteindelijk zelfs meer mensen zou kunnen aannemen. Singer bepleit met zijn boek, kortom, 'effectief altruïsme', een zo rationeel mogelijk je leven in dienst stellen van het op grote schaal verbeteren van de wereld. Het is een soort kapitalistische vorm van Gutmenschendom: alle middelen zijn veroorloofd om de wereld te verbeteren. Waar de meeste levensfilosofieën als primaire morele regel hebben 'Do no harm', stelt Singer dat daar een regel boven moet komen 'Do the most good'. Je kunt best bij een roofkapitalistische bank gaan werken die mensen uitbuit; zolang het goede dat je daardoor kunt doen het leed van die mensen maar overstijgt.

Je buurvrouw

Je moet kortom de hele tijd calculeren. Als ik 100.000 euro heb, kan ik dan beter 1000 blinden in de Derde Wereld genezen, of 100.000 malarianetten kopen en distribueren? (Dat je armen in het Westen eerst zou moeten helpen, vindt Singer sowieso sentimentele onzin. Die armen zijn veel te duur. Voor hetzelfde geld kun je de levens van zoveel mensen elders redden.) Daarvoor is dus nodig dat je op de een of andere manier het leed kunt kwantificeren. In de praktijk komt het er dus op neer dat je op de een of andere manier alles vertaalt in geldbedragen. "Effectieve altruïsten", schrijft Singer, "neigen ertoe om zaken als rechtvaardigheid, vrijheid, gelijkheid en kennis niet te zien als inherent goed, maar als goed vanwege het positieve effect dat ze hebben op sociaal welzijn." Dat lijkt me een kernzin, onder andere vanwege het 'inherente goed' dat sociaal welzijn kennelijk heeft. Singer bepleit een rationele vorm van ethiek. Een vorm waarbij het verstand (100 mensen redden die je niet kent) zegeviert boven het gevoel (je buurvrouw wat geld toestoppen zodat ze haar wasmachine kan laten repareren). Maar uiteindelijk valt natuurlijk niet te beredeneren dat het opheffen van het lijden meer waard is dan vrijheid.

Onze mond houden

Dat blijkt ook al uit het laatste hoofdstuk van The Most Good You Can Do, dat gaat over het afwenden van een wereldwijde catastrofe. Als het doel echt alleen maar het voorkomen van lijden is, zou je ook alle atoombommen die we als mensheid hebben allemaal tegelijkertijd over de hele wereld tot ontploffing brengen, zodat we collectief zelfmoord plegen en daarmee alle dieren die ook maar enigszins lijden zouden kunnen voelen met ons meenemen. Dan is dat probleem voor altijd opgelost. Tenzij er elders in het heelal intelligent leven ontstaat –maar dat moet dan maar voor zichzelf zorgen. Tegelijkertijd is zulke kritiek ook wel weer een beetje gemakkelijk. Singer schijnt wel min of meer naar de door hem gepredikte regels te leven en dus een groot deel van zijn salaris weg te geven aan goede doelen. Zolang onze eigen inzet niet is om onze eigen waarden zoveel mogelijk te verwerkelijken, moeten we waarschijnlijk onze mond houden.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …