Doorgaan naar hoofdcontent

Jim Al-Khalili. Pathfinders. The Golden Age of Arabic Science. London: Penguin Books, 2012

Ik geloof dat het nog niet eens een onderwerp is van onderzoek voor de geschiedwetenschap: hoe het mogelijk is dat op een bepaald moment in een bepaalde plaats ineens allerlei grote talenten op een bepaald terrein opstaan. Filosofen in Athene. Dichters in Florence. Schilders in Amsterdam.

En natuurwetenschappers in het Baghdad van de achtste, negende, tiende eeuw.

Waar kwam al die geleerdheid ineens vandaan? En wat droegen beroemdheden als Al-Haytham, Al-Khwarizimi en Al-Biruni bij aan onze kennis van de wereld? Daarover gaat het boek Pathfinders van de Iraaks-Britse natuurkundige en popularistor van de wetenschap Jim Al-Khalili.

Het begon allemaal in Baghdad, zegt Al-Khalili, met de zogeheten Vertaalbeweging, die stimuleerde dat allerlei werken uit bijvoorbeeld de Indische en vooral de Griekse tradities in het Arabisch werden vertaald. De bedoeling daarvan was in eerste instantie puur praktisch: men was vooral geïnteresseerd in technieken om de leefomstandigheden te verbeteren. Ook bijvoorbeeld de astrologie werd daar echter onder geschaard, want daarmee kon je immers je beleidsplannen op een betere theoretische en empirische basis laten rusten.

Maar wie de astrologie toelaat, kan eigenlijk niet om de astronomie heen. En sowieso heeft wetenschappelijke kennis de neiging om te zorgen voor een dorst voor nog meer wetenschappelijke kennis. Dus moest er steeds meer vertaald worden, en steeds beter vertaald worden (Al-Khalili liet zien hoe belangrijke werken wel een aantal keer vertaald werden, met steeds meer inzicht in het Grieks en de inhoud van het gebodene).

Al snel ging men bovendien de beweringen die men deed zelf toetsen en ook verbeteren, om te komen tot betere schattingen van de omtrek van de aarde, of de structuur van het heelal, of de manier waarop het menselijk oog precies werkt, en tal van andere gebieden. De Gouden Periode van de Arabische wetenschap was begonnen, een periode die alles bij elkaar wel een paar eeuwen zou duren.

Waarom het zo was, waarom in Baghdad, waarom in die tijd, blijft daarbij natuurlijk een beetje duister. Ja, er was de heerser Al-Mamun, die grote belangstelling had voor wetenschappelijke kennis, die een Huis van Kennis installeerde, die mensen vrijstelde om permanent wetenschap te bedrijven. Ja, er was een periode waarin godsdienst en wetenschap goed te combineren waren omdat er consensus was dat rationele en empirisch getoetste kennis dé manier was om Allah te leren kennen. Ja, Irak lag in een soort brandpunt vanwaaruit het gemakkelijk was om kennis uit het oosten en het westen te vergaren en te combineren. Ja, de stad was relatief welvarend zodat men het zich kon veroorloven te investeren in het verwerven van nog meer kennis die vaak uiteindelijk leidde tot nog grotere welvaart.

Maar uiteindelijk kun je alleen maar zeggen: toevallig kwamen er een aantal gelukkige factoren samen.

Minstens voor een deel heeft Al-Khalili dit boek geschreven uit overwegingen van propaganda. Hij lijkt Arabieren ervan te willen overtuigen dat de wetenschap heus niet alleen een verderfelijke westerse uitvinding is, dat de basis van heel veel kennis gevonden kan worden bij Arabieren. Dat leidt af en toe tot bespiegelingen die niet zo interessant vreselijk interessant zijn, zoals over de vraag waarom we nu per se kunnen zeggen dat Al-Khwarizmi (die zijn naam gaf aan het algorithme) de échte uitvinder is van de algebra, en niet de Griek Diophantus. Al-Khalili haalt dan een Britse collega aan die erop wijst dat Al-Khwarizmi de eerste was die de variabele in een vergelijking als een echte entiteit behandelt. Dat kan een belangrijke stap in de ontwikkeling zijn geweest, maar zo zijn er natuurlijk meer stappen gezet.

Het is misschien nuttig om tegenwicht te bieden tegen stemmen die de rol van de Arabieren in de wetenschap bagatelliseren, maar veel mooier vind ik het verhaal van het wonderlijke succes van de wetenschappelijke methode, die zich langzaam ontwikkelde, en daarbij als het nodig was reisde van Athene naar Baghdad, en van Baghdad naar Cordoba, en vandaar terug naar Europa, en eeuwen later naar Amerika – waar ze nu misschien weer minder welkom is. Maar ze vindt vast een nieuw huis.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …