Doorgaan naar hoofdcontent

Tom Lanoye. Zuivering. Amsterdam: Prometheus, 2017.

Gideon Rotier maakt overdag de huizen van zelfmoordenaars schoon, en van mensen die zichzelf en hun  omgeving extreem hebben verwaarloosd en luistert dan 's avonds naar Spotify Classical terwijl hij Franse dichters leest. Hij spreekt niet graag, want hij spreekt niet goed.

Hij is kortom, een personage uit een groteske. Een groteske die zich ineens in onze tijd lijkt af te spelen, want er komt een vluchteling binnen uit een land dat op Syrië lijkt, al wordt die naam niet genoemd. Youssef. En er worden in België allerlei terroristische aanslagen gepleegd die Gideon en zijn nieuwe vriend moeten opruimen.

Behalve dat het tóch een groteske is, want er worden wel ineens heel veel aanslagen gepleegd, en hele gruwelijk goed gelukte. En Youssef blijkt uit het niets een gezin te hebben, dat hij naar Gideons huis haalt om hen allen vervolgens te verlaten, op weg naar een beter onderkomen in Brazilië of Mexico.

De tijden waarin we leven zijn af en toe behoorlijk grotesk, maar Zuivering laat zien dat het nog altijd grotesker kan.

Het begin van Zuivering is buitengewoon fraai geschreven, Tom Lanoye laat Gideon Rotier formuleren dat het een aard heeft. Gaandeweg, naarmate de gruwelen zich verder opstapelen, wordt de stijl minder opvallend, en af en toe een beetje expres (door Lanoye) onhandig (door Rotier).

Die Rotier is een meesterlijk personage van Lanoye. Een onbetrouwbare verteller bij uitstek, de hele tijd bezig zichzelf vrij te pleiten, iemand die enorm trots is op zijn kleinere en grotere misdaden en jou als lezer die grotere en kleinere vergrijpen voortdurend weet te verkopen: zijn achterover drukken van allerlei goederen op het werk, de manier waarop hij zich over al die mooie mensen die in zijn huis komen wonen ontfermd. En in zekere zin blijft hij dat beeld van puurheid van zichzelf behouden, hoeveel schade hij ook berokkend – groteske figuur in een wereld van grotesken.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …