Doorgaan naar hoofdcontent

Arjen van Veelen. Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken. Amsterdam: De Bezige Bij, 2017

Wat zijn genres toch ellendige dingen. Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is een van de interessantste boeken die het afgelopen jaar verscheen, maar ik vermoed dat er betrekkelijk weinig kans is dat het een prijs krijgt, omdat prijzen nu eenmaal gaan naar romans. En het is wel ongeveer een roman, maar niet helemaal. Wanneer alle aandacht in de literaire cultuur was uitgegaan naar essays, had dat predicaat waarschijnlijk op de omslag gestaan.

Aantekeningen is in veel opzichten een essay in de ware, Montaigneske, betekenis van het woord: een zelfonderzoek. Van Veelen beschrijft zijn zeer intense vriendschap met Thomas Blondeau, de manier waarop hij de plotselinge dood van zijn vriend moest verwerken, en hij vlecht er beschouwingen in over onder andere Alexander de Grote, de manier waarop er in Alexandrië met Alexanders nagedachtenis wordt omgegaan, en Kavafis. Voor alles is het een gedachtegang over wat het over Van Veelen zegt dat hij zo door déze vriend heeft laten meeslepen (Montaigne: "Omdat hij het was, omdat ik het was"), en dat hij die vriend ook enkele jaren na zijn dood nog niet heeft willen of kunnen loslaten.

En ja, het is ook een roman, want er zijn vast een aantal dingen niet precies zo gebeurd, maar iets gestileerd zodat ze meer op elkaar rijmen. Thomas heet in dit boek Tomas, dat lijkt me wel zo'n beetje aan te geven wat de aard van de literaire veranderingen is.

De vriendschap tussen Blondeau en Van Veelen was een ongekend heftige. Ik heb zelf in ieder geval zelf niet zo'n intense vriendschapsrelatie meegemaakt, en er ook niet één van nabij geobserveerd. Je krijgt de indruk dat voor Van Veelen er minstens deels in mee speelde dat hij gefascineerd is door intellectuele kracht, bij een neiging tot bewondering, tot zich optrekken. Dit boek laat zien dat hij zich niet meer hoeft op te trekken – dat hij heel goed op eigen benen kan staan. Als romancier, als essayist.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …