Anna Enquist: Berichten van het front. Arbeiderspers, 2020


Het is net alsof Anna Enquist er niet meer in gelooft, in de poëzie. De titel van haar bundel (Berichten van het front) verwijst weliswaar naar haar debuut (Soldatenliederen), maar het vuur lijkt eruit. In haar beste werk weet ze de alledaagse taal op te tillen tot iets dat klassiek klinkt. Maar de laatste regels van het laatste gedicht van Berichten van het front luiden:

Hoe dan ook is hier mijn afscheidsgroet: wantrouw
de woorden. Luister goed. En koester de muziek.

Gek genoeg ontbreekt die muziek eigenlijk ook grotendeels in deze bundel – niet als thema, want als zodanig komt ze af en toe terug, maar wel in de taal zelf, die eerder brokkelig is, en kaal: een wintertuin. Haar gedichten zijn weliswaar zoals altijd opgedeeld in (meestal niet rijmende) strofen, maar het zijn toch eerder notities, waarvan ik zelfs het gevoel had dat ze beter tot hun recht waren gekomen als ze niet waren opgedeeld in regels en strofen. (Wat voegt bijvoorbeeld het enjambement hierboven toe?)

Ook aan het begin schept de dichter afstand tot de dichtkunst. De eerste regels van het eerste gedicht in de eerste afdeling luidt:

Voor de gymnasiasten onder u: vanwaar
de verering voor Demeter, zachtaardige godin
van het korenveld, die ons leerde ploegen? Onzin

Die eerste afdeling heet Demeter, en probeert ook een klassieke invalshoek te vinden voor Enquists eigen queeste naar haar omgekomen dochter – dat was Demeter immers ook overkomen en uit wraak zond ze ons de winter. Dat is op zich een mooi gegeven, dat de eigen zoektoch van de dochter knoopt aan haar fascinatie voor de natuur en voor de tuin – maar waarom luidt de eerste regel 'Voor de gymnasiasten onder u'? Ze richt zich regelmatig tot haar lezers, waarom nu alleen tot 'de gymnasiasten'? 

Ik kan dat alleen lezen als een vorm van ironie: het idee om haar eigen thematiek naar een universeel niveau te tillen middels de klassieke mythologie wordt hier een beetje belachelijk gemaakt. Dat kan, maar het maakt het lastiger om als lezer vervolgens dan wél – al dan niet met een gymnasiumdiploma op zak – met de schrijfster mee te gaan in die zoektocht en de eigenzinnige interpretatie ('Onzin') van de mythe.

Ik ben daarom bang dat het Enquist in deze bundel slechts een enkele keer lukt. Bijvoorbeeld in het gedicht Stof. 

Stof

Vanaf het hoogste terras schouwt de dichter
zijn tuin. De schim van mimosa en wijnstok,
de schaduw van wolfskers en vlier. Voor hem zijn
de namen een lied en de ranken een kunstwerk;
de tuin wordt een stip in de tijd. Het is hier.

Nu moet elke struik zijn water ontberen, nu
zal door streng indrogen straks deze tuin
zich versmallen op wit papier. Uitbenen,
snoeien. Zon verzengt wat beweegt, stof
zakt neer op dit helderste hoofdkwartier.

Honderd procent geslaagd is ook dit gedicht niet, vind ik. Het woord uitbenen komt bijvoorbeeld uit een heel andere sfeer dan de rest van het gedicht en is samen met snoeien eigenlijk te expliciet. Maar meesterlijk vind ik dan weer het gebruik van zijn in een bundel van een vrouwelijke dichteres die verder zo duidelijk uit haar eigen standpunt schrijft. Dat zijn doet wat veel andere woorden in andere gedichten niet doen: het tilt het gedicht boven het particuliere uit. 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Octavie Wolters. Slot. Amsterdam: Gloude Publishing, 2020.

Harm Ede Botje & Mischa Cohen. Mijn meningen zijn feiten. Atlas Contact, 2020.

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.