Ik heb ergens gelezen dat veel mensen geïnteresseerd zijn in de ondergang van het Romeinse Rijk in de late vijfde eeuw. We zien, is de verklaring, nu immers ook een of meerdere rijken ineenstorten: het Amerikaanse, misschien wel dat van de dominantie van de westerse wereld.
In 1966 was Hella Haasse al geïnteresseerd in een episode uit de vroege vijfde eeuw, die je kunt zijn als een aankondiging van het instorten van dat Rijk zo'n zestig jaar later: een ontmoeting van de prefect Hadrianus en de dichter Claudianus onder de 'christenkeizer' Honorius.
Een nieuwer testament is een compact boekje waarin heel veel thema's worden aangeraakt die nu heel actueel zijn: hoe het is om een buitenstaander te zijn, iemand die officieel een burger is, maar niet echt serieus wordt genomen, bijvoorbeeld. Hadrianus en Claudianus zijn allebei in Egypte geboren en hun status als 'echte Romein' wordt dus betwist. De relatie tussen de elite (die christelijk is) en het gewone volk (dat blijft hangen aan de 'heidense' rituelen). Of de noodzaak om in tijden van crisis je geestelijke onafhankelijkheid te behouden.
Wat mij intrigeert is de relatie tussen christendom en heidendom. Na vele eeuwen christendom beschouwden veel mensen in de twintigste eeuw (en in de eenentwintigste eeuw nog enkelen) het verdwijnen daarvan als een moreel gevaar: zonder de morele leiding van het christendom zou iedereen doen wat hij wil. In Een nieuwer testament is juist het opkomende christendom een oorzaak van moreel verval en corruptie.
Het is ook niet lastig het boek te lezen als een uitdrukking van sympathie voor het polytheïsme, de neiging van het Romeinse Rijk om in zijn hoogtijdagen iedereen zijn eigen god te gunnen – de Egyptische riten waren niet meer of minder waar dan de traditionele Romeinse. Juist de wens om alles en iedereen onder één noemer te brengen, dat van het Offer van de Zoon, was het begin van het einde.
Over de eerste zinnen van de roman is wel een en ander geschreven. De criticus Kees Fens schreef 'Dat is eerder de opgave van een cryptogram dan een verhelderende mededeling':
De voorhang dichtgevallen achter de soldaten. Door de arrestanten herkend en met onbehagen veranderd bevonden de nu besluiten ruimte van de rechtszaal.
De vergelijking met het cryptogram gaat hier volgens mij mank. Er wordt geen inhoudelijk raadsel opgegeven. De kwestie is eerder syntactisch. De tweede zin is wat je in de syntaxis noemt een intuinzin: als je woord voor woord leest, merk je dat je misleid bent:
De voorhang dichtgevallen achter de soldaten. Door de arrestanten herkend en met onbehagen veranderd...
Krijg je het gevoel dat je drie parallelle woordgroepen hebt gelezen, allemaal georganiseerd rondom een voltooid deelwoord (dichtgevallen, herkend, veranderd). Dan komt het volgende woord, bevonden, en dat interpreteer je dan als een persoonsvorm, waarvan dan kennelijk het onderwerp komt, dat begint met de
De voorhang dichtgevallen achter de soldaten. Door de arrestanten herkend en met onbehagen veranderd, bevonden de (mannen zich op het plein)
Maar dan blijkt er na de ineens ruimte te komen, dat helemaal niet het onderwerp van bevonden kan zijn, althans niet rechtstreeks. En dan moet je de hele zin in je hoofd herstructureren: de ruimte van de rechtszaal is veranderd bevonden (en dat bevinden gebeurde met onbehagen).
Die totale verwarring, de moeilijkheid om de orde te vinden die er wel degelijk inzit, die geldt voor de hele roman, waar tussen verschillende gezichtspunten (vooral die van Hadrianus en Claudianus) en verschillende tijdspunten heen en weer wordt geschakeld. En dat geeft je allemaal als lezer weer het gevoel van onzekerheid en gebrek aan oriëntatie dat de vijfde eeuw in Rome moet hebben gekenmerkt.
Net als bepaalde andere perioden in de geschiedenis van de mensheid.
Reacties