Vonne van der Meer. Brood, zout, wijn. Atlas contact, 2015.



Het getal drie speelt een belangrijke rol in de de verhalenbundel Brood, zout, wijn (2017) van Vonne van der Meer – dat zit natuurlijk al in de titel. Het boek zelf bestaat heel duidelijk uit drie in lengte ongeveer gelijke delen. Het eerste en het derde deel bestaan ieder uit drie verhalen, het middelste heeft één langer verhaal, dat verdeeld is over zes (2x3) dagen.

Bovendien komen in de drie verhalen aan het eind de hoofdpersonen van de drie verhalen uit het begin nog weer eens terug. De hele constructie is een spiegel doordat zowel het eerste als het laatste verhaal zich afspelen op kerstavond, en daarbij een kerstdiner het hoogtepunt is. (Dat is overigens een kerstdiner met zijn tweeën.)

In verschillende verhalen speelt het getal drie bovendien een rol. Het titelverhaal gaat bijvoorbeeld over een vrouw die samen met haar man haar huis verkoopt aan een ander, een man alleen (even tellen over hoeveel mensen het dus gaat in dit verhaal). DIe man alleen is aardiger, en succesvoller dan haar eigen man – de laatste is een min of meer mislukt aannemer, de ander is een architect. De naam van het huis? De drie berken.

Psychotische pleegzoon

In meer verhalen gaat het over iemand die op een bepaalde manier een derde is. Het schitterende lange verhaal in het midden handelt over een vrouw, moeder van volwassen kinderen, die geïnterviewd wordt door een jonge journaliste. Het is voor allebei het eerste interview, het eindigt in bed. De vrouw is al heel lang getrouwd, haar man is even weg, het meisje is duidelijk de derde. Maar als het meisje in de ochtend terugfietst, wordt ze geschept en krijgt de vrouw te maken met het gezin waaruit zij voorkomt – een gezin waarin zij duidelijk een buitenstaander is.

Dat is allemaal constructie van de verhalen, er zijn in Nederland weinig mensen die een verhalenbundel zo goed in elkaar kunnen zetten als Vonne van der Meer. Maar wat haar werk pas echt het lezen waard maakt is dat die constructie vervolgens wordt ingevuld met levende mensen. Ieder verhaal is weer anders. Het verhaal 'Goede doelen' vind ik bijvoorbeeld heel ontroerend, over Inge, een weduwe van middelbare leeftijd, die nooit iets gewonnen heeft, en die besluit om te gaan collecteren voor kindsoldaten. Daarbij komt ze een man tegen uit een heel andere wereld dan de hare, een man die nooit leest en die een walrussnor heeft, en ze brengt, ondanks alle wantrouwen die ze voor hem heeft, een nacht met hem door.

Het verhaal 'Zwart jurkje' is dan weer grotendeels grappig, over Masja, een vertaalster die in de winkel een jurkje ziet dat veel te duur is voor haar budget van vertaalster en veel te krap voor haar lichaam – zo krap dat ze het niet eens meer uitkrijgt en er dagenlang in rond moet blijven lopen. Tot aan het kersdiner dat ze alleen met haar psychotische pleegzoon doorbrengt, die haar wel keurig uit haar jurkje knipt.

Duistere gevoelens

Een rode draad in deze verhalen, zoals in al Van der Meers werk, is het bekijken en bekeken worden – je ziet alleen de buitenkant en toch denk je daar iets uit te kunnen afleiden over de binnenkunt:

Waar ik zit kan niemand me zien, toch heb ik alle gordijnen dichtgetrokken. Het helpt niet. Het gevoel te worden bekeken, wordt alleen maar sterker.

Brood, zout, water is, met andere woorden, een hoogtepunt in dit toch al in de hoogte reikende oeuvre. Als ik iemand zou adviseren ergens te beginnen in het werk van Vonne van der Meer, zou het zijn bij deze verhalen: zoveel duistere gevoelens in zoveel controle.

Reacties