Sei Shōnagon. Het hoofdkussenboek. Vertaald door Jos Vos. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2018

 


Sei Shōnagon is iemand die heel ver weg van ons staat: een tiende-eeuwse hofdame uit Japan, wie kan zeggen dat die haar begrijpt? En toch is ze iemand die al duizend jaar mensen in allerlei culturen weet te raken met de aantekeningen in haar 'Hoofdkussenboek', een boek waarin ze aantekeningen maakte van haar leven aan het hof van de Japanse Keizer, of eigenlijk vooral van zijn hofdame.

Het boek bestaat uit enkele honderden korte stukjes. In sommige daarvan voel je de afstand – en ik denk dat de afstand in tijd misschien nog wel onoverbrugbaarder is dan die in ruimte. Ze schrijft uitvoerig over de kleding die mensen aanhadden, de rituelen waar men zich aan het hof aan hield (op bepaalde dagen mocht je niet in een bepaalde windrichting reizen). 

Maar in andere voelt ze ineens heel dichtbij. Dat ontroert, precies omdat ze zo ver weg is. Doorheen het boek heeft Sei lijstjes opgenomen met allerlei dingen die haar boos maakten, die haar raakten, en vermoedelijk ook zaken die ze kon gebruiken voor gedichtjes (zoals namen van bronnen of bergen). Lijstjes zoals:

[246] Dingen die je de stuipen op het lijf jaten
Nachtelijke donder.
Inbraak in een huis bij jou in de buurt. Als er bij jezelf wordt ingebroken, ben je te zeer de kluts kwijt om bang te zijn.
Ook brand in de buurt is angstaanjagend.

Ja, ja, mensen van duizend jaar geleden waren óók bang in het donker. Alsof we dat niet wisten. En toch ontroert het op een bepaalde manier als je het uit iemands eigen mond of penseel verneemt. Hoewel het effect nog groter is bij het volgende voorbeeld dat ze geeft, dat over de inbraak in een huis bij jou in de buurt. Dat lijkt mij een heel herkenbaar gevoel, iets dat heel veel mensen hebben, en toch heeft bij wijze van spreken in de afgelopen duizend jaar niemand het erover gehad.

In het begin kan die historische sensatie niet de reden zijn geweest dat het boek steeds weer werd overgegeven. Het moet de indringendheid van die observaties zijn geweest, al geloof ik dat ook een rol speelde dat Sei leefde in een hof dat heel lang model stond voor elegant leven.

Dat elegante leven bestond vooral uit sociale activiteiten – met andere hofdames, met beambten van het hof en ook met minnaars. Heel belangrijk bij al die activiteiten was het gedicht. Voortdurend stuurde men elkaar gedichten, en verwachtte daar dan ook antwoord op: een gedichtje waaruit bleek dat je de literaire allusies naar klassieke Chinese literatuur begreep, of dat je anderszins een goed gevoel had voor de conventies.

Van die gedichten heeft de dichter er ook een heleboel opgenomen, maar die zijn veel minder gemakkelijk te begrijpen. De keizerin stuurt aan Sei een gedichtje 'Elke galm / van de avondklok / daar in de bergen / drukt je op het hart / hoe ik je mis –'. Sei antwoordt met een wedergedichtje 'en toch blijf je zo lang weg!' Voor een eenentwintigste-eeuwse Europese lezer valt helemaal niet meer na te voelen waarom dit de moeite van het vermelden waard is – dat zou aan de vertaling kunnen liggen, maar dat geloof ik niet. Ons gevoel voor die stijl is helemaal weg.

Natuurlijk leeft de gemiddelde westerling in veel gemakkelijker omstandigheden dan een geprivelegieerde Japanse hofdame. Toch kan ik met enige jaloezie kijken naar kringen waarin iemands status werd bepaald door kleine gedichten.


Reacties