Wat doet een succesvolle schrijver die er nooit bekend om stond dat hij het allemaal heel zonnig inzag aan het eind van zijn leven? Voor Michel Houellebecq is het antwoord: die schrijft een bundel met overwegend klassieke verzen. Een bundel, Combat toujours perdant, die begint met gedichten in regels van achtlettergrepen (octosyllaben, meestal wordt gebruikt voor het lichtere genre) over het gevoel dat we aan het einde van onze beschaving, dat de barbaren aan de poort rammelen, als ze al niet binnen zijn. En die eindigt met een alexandrijn (regels van twaalf lettergrepen, dé klassieke vorm in het Frans) die als volgt luidt:
La mort ne suffit pas, il faut que la souffrance
Grignote lentement nos chairs sacrificielles
La mort ne suffit pas, il faut que la méfiance
Détruise lentement nos croyances essentielles
Et voici que je suis, et voici que vous êtes
Tout recroquevillés, juste au bord de la fosse,
Marionnettes charnelles que la douleur désosse,
Nous voici retournés en dessous de la bête
Nous avons traversé les cercles du dégoût
Avant de pénétrer dans les terres infertiles
La déception, la haine et leur vilain ragoût
Ont lentement pourri dans nos cœurs inutiles
Mais voici que le temps a résorbé les hommes,
Et voici que je suis en dehors de l’espace,
L’espérance détruite a laissé quelques traces
Qu’efface sans un mot le bruit du métronome
L’image de la mort grandit sous les secondes
Dont le terne déclic résonne dans le vide,
Son visage lépreux se change en gueule avide,
Mes paroles se changent en hurlements immondes.
Et c’est ainsi que je me sépare du monde.
De vorm is zelfs extreem klassiek, met een cesuur na iedere zesde lettergreep (in de romantiek wilde die splitsing in een alexandrijn wel eens verschuiven). Het is een vorm van grote zelfbeheersing waarin de totale vernietiging wordt beschreven. Het is niet (erg) genoeg dat we dood gaan, eerst moeten het lichaam en de hoop grondig worden kapot gemaakt. De destructie van beide worden vervolgens plastisch beschreven: minder dan beesten zijn we uiteindelijk, hoopjes vlees zonder botten, met alleen nog haat en deceptie, rottend in onze nutteloze harten. Tot ook onze woorden niet veel meer zijn dan afgrijselijke kreten.
De laatste regel is ook de laatste regel van de bundel, zodat je er nog net wat langer over blijft nadenken. Als de mens niet meer is dan rottend vlees, wie is dan die je die afscheid neemt van de wereld? Na zich eerst niet in afgrijselijke kreten maar in alexandrijnen tot ons heeft gericht?
Het lijkt me sowieso een wezenskenmerk van Michel Houellebecq: dat hij altijd heel erg heeft uitgepakt om vol energie te vertellen dat het allemaal zinloos is, dat we aan het einde staan, dat het allemaal toch niks meer uithaalt.
Er staat wel meer in de bundel dan alleen die gedichten met een klassieke vorm: gedichten met een vrije vorm, een prozastuk over de dood, een ironische reactie op een advertentie van een makelaar over een appartement in Parijs (waarin de treurigheid van de straat wordt vergeleken met wat de makelaar ervan maakt), en een paar aforismen ('Nee, dit leven volstaat niet; het kan nog niet een duizendste deel van onze dromen omvatten').
Zoals bijna al het werk van Houellebecq stompt het de lezer in de maag.
Reacties