Henriëtte Roland Holst - Van der Schalk. Sonnetten en verzen in terzinen geschreven. Scheltema & Holkema, 1895.



Er zou een keer een facsimile moeten komen van de bundel Sonnetten en verzen in terzinen geschreven van Henriëtte Roland van der Holst. Ja, je kunt de teksten in de DBNL lezen, maar daar ontbreken de rode kaders en alle andere versieringen rondom de gedichten. Het materiële ontbreekt – en dat rondom gedichten die zelf al zo meditatief zijn.

Sonnetten en verzen in terzinen geschreven was het debuut van Van der Holst. Het is een lastig doordringbaar boek. De recensent H.A. Viotta weet dit indertijd onder andere juist aan de vormgeving. Ik denk dat er andere dingen een rol spelen, zowel in de inhoud als in de vorm.

De eerste is nogal abstract, het verhaal beschrijft een spinozistische zoektocht naar het hogere, en dat hogere leent zich er per definitie niet voor om eens lekker uit te pakken met meeslepende beelden. De tweede is vaak een beetje moeizaam, bijvoorbeeld doordat de dichteres een metrum gebruikt dat nogal ongebruikelijk is: iedere regel heeft 10 lettergrepen, als de laatste beklemtoond is, of 11 lettergrepen, als de laatste onbeklemtoond is. Dat is in de Romaanse talen heel gebruikelijk, maar in Germaanse talen als het Nederlands is het lastig om daar gevoel voor de krijgen. Wij werken meestal met een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen – als je er daarvan vijf doet, krijg je óók tien lettergrepen, maar dat voelt kun je wel aanvoelen: tien lettergrepen, in een Germaanse taal, niet. Het is dus een heel rationele versvorm. Je kunt alleen tellen.

Hier is een van de sonnetten als voorbeeld:

Over de onmacht onzer zinnen om eenig ding naar waarheid te kennen.

Wij kennen alleen geestelijke dingen.
Al wat gestalte is leeft de oogen gesloten
en gaat zwijgend voorbij zooals een groote
stoet van altijd zwijgende kloosterlingen.
De praatzieke en verstrooide wereldlingen
starend naar hun tot in den dood besloten
werend gelaat, sturen vergeefs de vloten
van hun gedachte uit om binnen-te-dringen

in de wat'ren dier geloovige kracht.
Zóó gaan de zinnen naar lijflijke rijken
en keeren weer, arm aan de goede vracht
van 't weten dat zij niet kunnen bereiken
want in alle landen waar zij neerstrijken
maakt hunner vleug'len schaduw diepen nacht.

De esthetiek zit in de doorwrochte beeldspraak. Wij mensen kennen alleen het geestelijke, dus niet het lichamelijke. Dat lichamelijke wordt vervolgens verbeeld door een stoet zwijgende monniken. Dat is op zich al opmerkelijk: als we alleen het geestelijke kennen, hoezo moet dat dan via de omweg van het lichamelijke worden (beeldspraak) worden uitgelegd? En vervolgens worden voor dat lichamelijke dan weer uitgerekend de lichamen genomen van geestelijken, waar de anderen, wij, de 'praatzieke en verstrooide wereldlingen' dan weer vergeefs in proberen door te dringen.

Praatziek en verstrooid. Zoals een dichter.

Het begint je binnen een paar regels helemaal te duizelen. De paradox van al deze mogelijkheden en onmogelijkheden om wat dan ook te weten, dat is precies waar het gedicht over gaat. Henriëtte Roland Holst was een dichter van gedachten.

Reacties