In de bundel Moderne gedichten nam Jules Deelder in 1979 gedichten op uit tot die tijd verschenen bundels die niet meer in de handel waren. Hij voegde er een paar nieuwe gedichten aan toe, waaronder het lange gedicht 'Bright lights big city', dat misschien wel een oertekst voor Deelder was. Ik vermoed dat hij het in de jaren zestig schreef – onder het gedicht staat 'Londen, 1966' – en nu pas uitgaf. Sporen ervan zitten duidelijk in gedichten uit eerdere bundels. In:
(...) feestjes met rood crêpe-papier & meisjes uit 3c
schooldays schooldays het onveranderlijk gefriemel
in portieken of onder een treurige spoorbrug (...)
zit bijvoorbeeld een aanzet tot het gedicht 'Hogere Burger School' uit Dag en nacht geopend:
't Onveranderlijk gefriemel
in portieken, onder bruggen.
Feestjes met rood crêpe -
papier en meisjes uit 3c.
Er is ook een overeenkomst te vinden met 'Orpheus Descending', eveneens uit Dag en nacht geopend en met het oorspronkelijke slotgedicht van Gloria sartoria (dat niet werd opgenomen in Moderne gedichten). Arie Visser nam in een recensie van Moderne gedichten in NRC Handelsblad aan dat 'Bright lights big city' daarom wel een collage zou zijn van het eerdere werk, vermoedelijk omdat 'Bright lights' voor het eerst verscheen, maar mij het logischer dat dit gedicht simpelweg nooit eerder gedrukt was, maar wel ouder – en dat de dichter er dus herhaaldelijk uit geput had. In 1967 wordt het gedicht trouwens in het Handelsblad al apart genoemd (de recensent van dienst doet het dan denken aan Johnny the Selfkicker).
'Bright lights big city' zelf beschrijft een psychedelische ervaring. De jonge dichter bevindt zich in een huis in Londen: 'colville terrace nummer 20', volgens Google Maps is dat helemaal geen slechte buurt.

De ik-figuur ligt in een kamer in dit pand, luistert naar muziek en observeert zijn zonderlinge buren en huisgenoten. Vanuit die kamer dijt het gedicht uit. Platen roepen herinneringen op, personen verschijnen en verdwijnen, gesprekken lopen door liedteksten heen, er zijn dus herinneringen aan de jeugd, zoals aan klas 3c, en de alledaagse werkelijkheid verandert in een visioen. Tijd en ruimte lopen daarbij door elkaar. Een geluid leidt naar een persoon, die persoon naar Rotterdam, een plaat naar een vroegere ervaring en een lichtflits naar een zonsopgang in Spanje.
Een heel belangrijke rol speelt bij dit alles de muziek. Bij Deelder was dit altijd eerder jazz-muziek dan rock: 'Bright lights big city' is de naam van een bekend blues-nummer uit 1961. Engelse regels, songtitels en radiostemmen dringen voortdurend de tekst binnen. De ik-figuur ervaart muziek bijna als een hogere macht: een “stem van de stroom” die afzonderlijke mensen, steden en momenten met elkaar verbindt. De vorm van het gedicht heeft daar ook mee te maken. De lange, nauwelijks onderbroken zinnen hebben iets van een improvisatie of jazzsolo: motieven keren terug, worden vervormd en roepen nieuwe associaties op.
Tegelijkertijd ironiseert Deelder de 'sixties' ook duidelijk. Uitspraken als “WIJ ZIJN DE DEFINITIEVE GENERATIE!” klinken triomfantelijk, maar de denkbeeldige kreten en het overdreven hoofdlettergebruik maken ze ook potsierlijk. De generatie meent een nieuw bewustzijn en een grenzeloze wereld te hebben ontdekt, terwijl er beneden ruzie wordt gemaakt, iemand in elkaar wordt geslagen en de drugs op zijn. Het verhevene en het banale staan voortdurend naast elkaar.
Het gedicht eindigt op de wc in dat Londense huis:
in een godvergeten oord aan de spaanse kust
beleefde ik een zonsopgang
gehuld in een stilte zo vol van geluiden
dat ik niet wist waarnaar het eerst te luisteren
& toen de zon eindelijk kwam
deed één van de eerste stralen het zand voor m'n voeten
bloedrood opvonken
voor een ondeelbaar ogenblik
zit ik daar op die wc in londen
weer met het roodglazen oog van
een speelgoedbeer in m'n handzo zet het één het ander in beweging
ACTION IS THE RULE OF MAN
Hoewel Jules Deelder zijn hele leven bekend zou blijven als een enthousiast drugsgebruiker, is het psychedelische 'Bright lights big city' op het eerste gezicht, door zijn lengte en zijn uitwaaierende regels, heel atypisch. Het oeuvre zou toch uiteindelijk vooral bestaan uit betrekkelijk korte gedichten met betrekkelijk makkelijk te begrijpen observaties en associaties. Maar het zat er in 1966 wel allemaal al in.
Reacties