Petronella Moens en Bernardus Bosch. Liederen voor het vaderland. Leeuw en Krop, 1792



Vaderlandsliefde is een vreemd sentiment. Het lijkt me om te beginnen niet van nature te komen op de manier waarop liefde voor de eigen ouders of de eigen kinderen dat doen, of mogelijk ook zoals een al dan niet mystieke liefde voor God dat doet. Het vaderland is hoe dan ook een abstractie, iets waarvan eerst iemand je op de hoogte moet stellen dat het bestaat voor je er gevoelens voor kunt opbrengen van welke aard dan ook.

In de bundel Liederen voor het vaderland uit 1792 lossen Petronella Moens en Bernardus Bosch het probleem op door het vaderland voor te stellen als een logische schakel tussen het gezin en God. De bundel bestaat uit uit nieuwe teksten voor indertijd bekende liederen zoals 'Hoe gelukkig leeft het vee!' en 'Zonder liefde, zonder wijn!' (in een recensie werd indertijd overigens geklaagd dat sommige melodieën wel erg belegen waren en ook niet altijd goed bij de teksten pasten).

Als de liederen niet rechtstreeks over het vaderland gaan, gaan ze over het gezin, en in het bijzonder het jonge gezin: een jonge vader, een jonge moeder, die bijvoorbeeld respectievelijk Eelhard en Cloë heten. Alleen de allerlaatste twee gedichten gaan over oude mensen ('Blijde welvaard kroont mijn grijsheid'), maar verder is het vooral een en al jong kroost dat zo het nog niet aan de borst ligt, kruipend over de vloer gaat. Ook God is een vader:

Goede God! de donkre zorgen
Vlugten voor uw troostend licht,
Als de scheemring van den morgen;
Ja, in 't volgen van mijn' pligt
Is mijn waar geluk verborgen:
Godsdienst heeft mijn pad gerigt.

De trits gezin-vaderland-God is kortom in letterlijke zin een patriarchale, een streng van liefhebbende vaders. Je kunt je bij dat christelijke patriarchaat altijd afvragen welke rol Jezus (de Zoon) dan eigenlijk speelt. In één lied ('De Kristen-patriot') kiezen Moens en Bosch daarvoor een opmerkelijke oplossing: Jezus was zelf een patriot! Gedreven door liefde voor zijn vaderland:

(...)
Gij boodt, ô Jesus! eerst de hand
Tot weldoen aan uw vaderland.

Dat oord, waar in uw vroegste jeugd,
Bewaakt door teedre zorgen, bloeide, -
Dat oord, waar in de zoetste vreugd
Langs 't roozenpad der kindsheid vloeide,
Dat ademde eerst de geuren in
Van algemeene menschenmin.

Een traan, uw schuldloos oog ontrold,
Toen Kanans lot uw' boesem griefde,
Is tot een kroonjuweel gestold
Voor Vaderlandsche trouw en liefde.
ô Jesus! Gods volmaaktste Zoon!
Ons hart slaat ook dien teedren toon.
(...)

Dit is, denk ik, een verwijzing naar Lukas 19:41-44, waarin Jezus huilt als hij Jeruzalem ziet (Statenvertaling):

41 En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,

42 Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.

43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;

44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.

Jezus' vaderlandsliefde ging dus eerder over een stad, en was voor de vroege christenen een teken dat hij voorzag dat veertig jaar na zijn dood de Tempel zou worden vernietigd. Het vereist dus wel van wat fantasie om hierin een oervorm van achttiende-eeuwse vaderlandsliefde te zien. Van zulke duistere profetieën is in Liederen voor het vaderland verder geen sprake. De liefde voor het vaderland komt niet voort uit een dreigende totale vernietiging, maar wordt voortdurend gerelateerd aan een nogal abstract begrip van vrijheid – abstract, omdat het dus wel helemaal is ingebed in de patriarchale orde.

Reacties