Jos Joosten. Och, eeuwig is zo lang. Zeshonderd jaar Nederlandse literatuur in het licht van de eeuwigheid. Afdh, 2025.
““Lees je een paar dagen Asselbergs,” schrijft Jos Joosten, “dan schrijf je vanzelf brede zinnen.” Dat is dan weer een korte zin, maar Joosten behoort waarschijnlijk tot het selecte gezelschap dat het afgelopen jaar Asselbergs Verzamelde geschriften ter hand heeft genomen. Een van de vele boeiende stukken in Och, eeuwig duurt zo lang gaat over zijn leeservaring met, zoals hij schrijft, ‘meer dan 2500 pagina’s dundruk’.
Het stuk over Asselbergs, ‘Anton van Duinkerken en Sint Nicolaas’, lees ik als een sleutel tot het hele boek. Asselbergs stelde zijn Verzamelde geschriften zelf samen — hier in Nijmegen — dankzij een subsidie die hij kreeg ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag. Hij moet dat, schrijft Joosten, zelf ook “hebben gezien als een voortijdige terugblik op een leven met een vloed aan publicaties.”
Zestig — dat is inmiddels ook de leeftijd van de auteur van Och, eeuwig. En ook dit boek kun je lezen als een voortijdige terugblik. Het telt dan wel geen 2500 pagina’s, maar het ministerie verstrekt tegenwoordig dan ook geen subsidies meer voor dit soort uitgaven. (Tenzij je een Amerikaanse topwetenschapper bent, natuurlijk.)
Het landschap — of beter: de markt — voor neerlandistische publicaties is de afgelopen jaren flink gekrompen. Des te meer reden om dankbaar te zijn dat Paul Abels er is. Hij gaf, na Hoera!, nu ook Och! uit — geen 2500 paginas, maar het begint ergens op te lijken. En dat met grote zorg vormgegeven.
Een andere manier waarop het artikel over Asselbergs een sleutelstuk is: het plaatst Joosten in een Nijmeegse traditie. Binnen de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur, maar inmiddels binnen zo ongeveer de hele Katholieke Universiteit Nijmegen, pardon, Radboud Universiteit: Joosten belichaamt die traditie.
Je ziet het niet alleen aan de twee prachtige stukken over Mariken — het meest besproken boek in Och!. Je merkt het ook aan de manier waarop Joosten zijn voorgangers noemt: niet alleen Asselbergs, maar ook Fens natuurlijk, en daarnaast Hummelen, en Meeuwisse.. En zijn huidige letterkundige collega's, Johan Oosterman en Lotte Jensen.
Maar het zit ook dieper. Ook inhoudelijk zie je de verwantschap. Volgens Joosten zijn Asselbergs' Verzamelde geschriften geschreven “door een vrije(re) geest en dito hand” — en dat lijkt me een rake typering van de schrijver van Och.
Bovendien, zegt Joosten, toont Asselbergs zich “een wel zeer erudiete reisleider, wiens missie het is zijn lezers te gidsen door vele eeuwen christelijke cultuurgeschiedenis én actualiteit.” Ook dat lijkt me minstens deels een zelfportret. Weliswaar begeeft de reisleider van nu zich af en toe op de sociale media, maar dat hoeft de eruditi niet in de weg te staan
De essayistiek is historisch een belangrijke draad in de Nijmeegse letterkundige neerlandistiek. Asselbergs was duidelijk een zeer productief schrijver van nog altijd heel leesbare stukken (brede zinnen of niet) voor allerlei media.
Dat gold natuurlijk ook voor Joostens promotor Kees Fens. In een hoofdstuk over Kees Fens vertelt Joosten dat hij na diens overlijden werd opgebeld door een journalist die wilde weten hoe men in de toekomst over Fens zou denken. Omdat hij een essayist was, vertelde Joosten, zou men hem zich minder herinneren dan een romanschrijver of een dichter. “Zoals bijvoorbeeld ook gebeurd is met Paul Rodenko,” voegde hij daaraan toe.
Ik citeer nu letterlijk Joostens volgende brede zin:
‘Wie?’ vroeg de journalist.
Er is meer aandacht voor essayistiek in Och! En dat zijn stukken waarin de schrijver melancholiek constateert dat de essays van de schrijver niet meer gelezen worden. In een stuk over Godfried Bomans constateert Joosten bijvoorbeeld:
Een columnist heeft [...] een dubbele handicap. Niet alleen wordt hij of zij bedreigd door het uitsterven van de tijdgenoten die bepaalde zaken gemeenschappelijk geestig vinden, maar daarnaast is alleen zijn of haar onderwerpskeuze al, vanwege de genreconventies van de column, per definitie tijdgebonden. Wie columns leest van enkele decennia geleden, leest dus onvermijdelijk de tijdgebonden waarnemingen, opgeschreven voor tijdgenoten.
Dit levert overigens een paradox op. Een rode draad in Och! is dat de schrijver probeert historische werken, al dan niet uit de canon, te lezen met een moderne blik. Zoals Joosten zelf reveleert is het onderscheid tussen historische en moderne letterkunde in Nijmegen geïntroduceerd door Asselbergs. Joosten heeft die genoeg geïnternaliseerd om enige eerbied te behouden voor het ambacht van collega’s van de historische letterkunde. Hij doet dus niet alsof hij een historisch letterkundige is. Hij blijft een modern letterkundige.
Wat doe je dan met columns die ‘onvermijdelijk tijdgebonden waarnemingen zijn’? Joosten verbaast zich, bijvoorbeeld over de ernst van veel stukken, en de dwarsheid die Bomans kenmerkte.
Bomans heeft weliswaar nooit bij Nederlands in Nijmegen gewerkt, maar ook hier meen ik een zelfportret te herkennen. De stukken in Och! zijn ook doorgaans minder grappig dan de gemiddelde lezer van Facebook waarschijnlijk verwacht. Maar ze zijn onmiskenbaar dwars. Bijvoorbeeld in de observatie dat het niet de vader in De Avonden is die burgerlijk is, maar de zoon.Of dat Eenzaam avontuur in de katholieke pers helemaal niet zo werd aangevallen vanwege de lesbische passages. Of dat je negentiende-eeuwse protestantse dichters als Bilderdijk ook gewoon kunt lezen.
Want een rode draad in Joostens eigen werk is dat hij voortdurend oproept tot discussie. Minstens sinds zijn artikel van het begin van deze eeuw, dat hij samen met Thomas Vaessens schreef, beklaagt Joosten zich over iets interessants: dat er in de moderne Nederlandse letterkunde zo weinig ruimte is om het oneens te zijn, om argumenten te delen.
Het liefst zou hij daarbij, geloof ik, een debat hebben over de theoretische fundamenten van het vak – waar gáát de wetenschappelijke literatuurstudie eigenlijk over?
Ik geloof dat die discussie misschien te weinig van de grond komt, in de ogen van Joosten. Zelf probeert hij in dit boek die discussie dan maar zelf aan te gaan – met de vorigen. Het laatste stuk, ook al zo’n sleutelstuk, gaat over Paul Rodenko, die eens opperde dat een goede literatuurgeschiedenis moet gaan over de veranderde appreciatie, en dus een geschiedenis moet zijn van de literaire kritiek, een gedachte die het essay dus ineens centraal zou stellen in die literatuurgeschiedenis: ‘het literaire werk lééft immers in en door de appreciatie van zijn lezers en critici’.
Dat zijn inspirerende gedachten. Lees je een paar dagen Joosten, en het begint vanzelf te borrelen. En word je vanzelf zelf een beetje dwars.
Reacties