Miklós Radnóti. Nachthemel, waak. Van Oorschot, 2023.

 Vertaling: Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi


Ah, de troost van metrum en rijm. Hoe goed kun je die voelen in het werk van de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Hij werd geboren in 1909, maar belangrijker nog: hij kwam om in 1944, en werd in een massagraf gegooid, een joodse tewerkgestelde in Hongarije onder de nazi's, na enkele jaren van antisemitisme en ellende. 

En terwijl schoonheid, schoonheid zo haar gezicht aan het verbranden was, schreef Radnóti zijn bevindingen op in jamben, of zelfs in dactylische hexameters. Maar een paar maanden voor zijn dood schreef hij bijvoorbeeld zijn 'Zevende ecloge', die zo begint:

Zie je, de avond valt, overal prikkeldraad, ruwhouten hekken,
barakken vervagen en zweven, hun vorm door de nacht ingeademd.
Nu onze langzame blikken de wallen van hechtenis slechten,
voelt onze geest, onze geest alleen nog hoe het draad ons omspant. (...) 

Je voelt hoe de dichter zich vastklampt aan de allerklassiekste strakke vormen om de waanzin en de smerigheid en de wanhoop een kader te geven. De toon is trouwens nooit echt gedragen, nooit overdreven poëtisch. Maar precies de strakke vorm geeft ruimte en rust, en het contrast met de wereld die beschreven wordt (deze bloemlezing eindigt met gedichten die op het lichaam van de dichter gevonden zijn nadat men hem uit een massagraf gedolven had).

In Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi heeft Radnóti de ideale vertalers gevonden: Van Nimwegen heeft zelf vormvast gedicht en kent geloof ik ook voldoende Hongaars. Réthelyi is hoogleraar Nederlands in Boedapest, en heeft dus een perfect oor voor hoe de Nederlandse poëzie klinkt. Ze hebben zo iets weten te maken dat in de Nederlandse literatuur nog niet bestond, ze hebben zo dus de Nederlandse poëzie verrijkt met bijzonder ewrk. 

En eerlijk gezegd krijgt de mensheid misschien ook wel steeds meer behoefte aan een manier om de waanzin net zo elegant vorm te geven, tot de dood erop volgt:

Ik leefde op aarde in een tijd
waarin de mens, ontaard, niet enkel doodde
in opdracht, maar vrijwillig, uit genot;
een waangedachte dreef hem, en doorvlocht
zijn leven met uitzinnig zelfbedrog.

Ik leefde op de aarde in een tijd 
waarin verklikken eervol was; verraders
en moordenaars en rovers waren helden, –
en zelfs wie zweeg, niet juichte met de rest,
werd diep gehaat, gemeden als de pest.



Reacties