Lamyae Aharouay en Petra de Koning. Dick Schoof. Brooklyn, 2025

 


Iedereen is het waard om een boek over te schrijven: over iedere mens valt er, als je diep genoeg graaft, als je scherp genoeg schrijft, een interressant verhaal te vertellen. Maar ik ben bang dat Dick Schoof van Lamyae Aharouay en Petra de Koning die stelling niet illustreert.

De twee journalisten hebben zeker veel graafwerk gedaan: vooral over de jeugd van deze wonderlijke voorbijganger in de Nederlandse literatuur hebben ze veel kunnen vinden, door vrienden en familie te interviewern. Je krijgt een beeld van een jongen die altijd al ambitieus was, en tegelijkertijd altijd onhandig met taal én met zijn lichaam. Iemand die als student een woongroep begon, maar er na een aantal maanden door zijn medebewoners alweer werd uitgezet omdat er een keuze moest worden gemaakt en Dick zo saai was.

Ook over de kabinetsperiode komen we wel soms meer details te weten dan al bekend waren, zoals dat Schoof telefoonangst had, en dat hij met name Geert Wilders niet durfde te bellen. Als hij dat moest doen vroeg hij soms aan DilanYeşilgöz, die hij nog kende van het ministerie van Justitie, of zij dat wilde doen.

Dat er allerlei dingen onbelicht blijven – over zijn huwelijk komen we bijvoorbeeld vrijwel niets te weten, net zo min als over zijn contacten met buitenlandse regeringsleiders buiten de spotlights. Discretie en vertrouwelijkheid hebben daar een rol gespeeld, dat is natuurlijk onvermijdelijk als je over zo iemand schrijft. (De schrijvers waren in januari begonnen, ze hadden misschien gedacht dat ze meer tijd zouden hebben, maar toen het kabinet viel, moest het boek er sneller zijn.)

Maar ik denk dat het boek zich deels richt op de verkeerde onderwerpen. Persoonlijk is Schoof een stuntelaar, en een stamelaar, en iemand die zich inhoudelijk alleen lijkt te laten drijven door ambitie en (misschien, soms) een verantwoordelijkheidsgevoel. Maar dat kun je zonder dit boek ook al zien. De vraag is meer hoe het mogelijk is dat zo iemand dan toch zo'n glansrijke carrière heeft kunnen maken in het ambtelijk apparaat. In hoeverre het verhaal van Schoof ons hier iets vertelt over de manier waarop dat apparaat functioneert, of misschien niet functioneert.

Of misschien is het nog anders: ook elders kom je wel Schoof-achtige bestuurders tegen. Mensen die het er vooral om te doen lijkt dat zij besturen, maakt niet uit wat, maakt niet uit in welke richting. Dat is hun levensvervulling, besturen, waarbij dat besturen betekent: luisteren naar wat je van hogerhand wordt opgedragen, en dat vervolgens opdragen aan mensen die onder jou staan. Met Schoof zijn de rampzalige consequenties daarvan doorgedrongen in het landsbestuur – gaan we daar wat van leren?

Mij wordt, noch uit anderhalf jaar volgen van het nieuws noch uit dit boek, in ieder geval duidelijk wat voor uitzonderlijke capaciteiten die Dick Schoof nu eigenlijk heeft. Is dat omdat hij ze niet heeft? Of is dat veelzeggend over de kwaliteiten van het hele ambtelijk apparaat?

Reacties