Het is eenvoudig te begrijpen waarom Josephine Rombouts Vleugelslag heeft geschreven, maar iets minder eenvoudig waarom ik het heb uitgelezen. Ik had het voor mijn verjaardag gekregen, het leek me een interessant verhaal te bevatten – het verhaal van buitenlandse kinderen die honderd jaar geleden naar Nederland kwamen om aan te sterken, zoals in dit geval, kennelijk, de oma van Rombouts.
Maar er wordt in Vleugelslag veel te veel overhoop gehaald, zonder dat het invoelbaar wordt gemaakt. Die oma bleef dus de rest van haar jeugd in Nederland, waar ze door haar pleegvader werd misbruikt. Ze trouwde uiteindelijk met een man die tijdens de oorlog omkwam en zelf werd ze met haar zoon, Rombouts' vader, in een Japans concentratiekamp gestopt. Over dit alles heen zitten dan nog de trauma's in de familie, die van het zwijgen voortdurend uit elkaar valt.
Maar in het boek wordt er door de familieleden vooral gebabbeld.
Rombouts heeft duidelijk over de structuur nagedacht. De hoofdstukken bestaan ieder uit fragmenten uit verschillende perioden uit het leven van een aantal familieleden – oma, vader, dochter, maar ook een assortiment aan broers en zussen, ooms en tantes. Het begint met een scene waarin wat later de vader blijkt te zijn als jonge kampoverlevende wordt opgehaald met een vliegtuig.
Ik kan me voorstellen dat zo'n detail grote indruk op je maakt als je de dochter bent van dat jongetje, maar Rombouts weet niet echt over te dragen waarom voor de lezer die van dat jongetje nooit gehoord heeft, zijn specifieke lot nu de moeite van het overwegen waard zou zijn.
Ik heb het boek eerlijk gezegd vooral uitgelezen omdat ik een paar uur ergens was waar ik weinig meer had dan dit boek. Het is op het niveau van zinnen en alinea's ook echt niet slecht geschreven, maar je voelt je als lezer vooral een gluurder in andermans familie waar, ja, heus nare dingen zijn gebeurd. Maar heeft ieder huisje niet zijn kruisje, en moet de lezer dan al die kruisjes dragen?
Reacties