Ian McEwan. What We Can Know. Penguin, 2025




Ergens tegen het eind van What We Can Know van Ian McEwan komt een klusjesman op bezoek bij Francis, de dichter die een van de hoofdpersonen is. Die kan lastig omgaan met zulk bezoek:

He was relaxed giving instructions to workmen and shopkeepers, but he was uneasy when he had to be on the level with people without formal education. He did not know what terms of reference he should be using. Or it was simply contempt, or a little of both. Certain modes of pronunciation and common solecisms pained him. He could not believe in the intelligence of someone who pronounced glottal ‘t’s, or used a ‘was’ for a ‘were’.

De passage komt op een moment dat ik dacht: deze roman speelt zich wel heel exclusief af in middle class-kringen. Wie geen beroemde dichter is, is een academicus en leidt een leven waarin boeken in het middelpunt staan, en geen enkele t ooit glottaal wordt uitgesproken.

Dat is des te opmerkelijker omdat het verhaal zich afspeelt in 2120. Alle rampen die we nu kunnen verzinnen hebben de wereld dan daadwerkelijk aangedaan: klimaatcatastrofes, en deels nucleair uitgevochte oorlogen hebben de wereld uit elkaar getrokken. Amerika is een onbegaanbaar oord vol rovers, Engeland, waar What We Can Know zich afspeelt, is verworden tot een archipel van kleine eilandjes. 

Maar hoeveel armer de mensen ook geworden zijn, de rust is relatief hersteld, en de Britse academici storten zich gewoon weer op de analyse van Engelse klassieke literatuur. Zoals het werk van genoemde Francis, een dichter aan het begin van de 21e eeuw, die een keer tijdens een verjaardagsfeest voor zijn vrouw een sonnettenkrans heeft voorgedragen dat sindsdien een enorme reputatie heeft gekregen, al was het maar omdat het verloren is gegaan. 

Het eerste deel van dit boek is het verhaal van de 22e-eeuwse onderzoeker die op zoek gaat naar dat manuscript. Het tweede deel is de tekst die hij vindt – niet de sonnettenkrans. Dat deel kan ik niet vertellen zonder spoilers, dus houd eventueel hier op te lezen als je, liefst in de 22e eeuw, op deze pagina bent aangekomen en What We Can Know nog niet gelezen hebt.

Dat tweede deel zijn namelijk memoires van Vivien, de vrouw van Francis, waarin zij het een en ander opbiecht: dat Francis haar dementerende man heeft doodgeslagen omdat hij niet zag hoe zij anders ooit samen een leven konden leiden. En hoe zij daarna getrouwd zijn en een gerespecteerd leven leidden. Hier gebeurt dus in het klein, binnen een relatie, wat in het groot met de wereld gebeurt: vreselijke dingen vallen voor, en daarna buigt men zich weer over de geneugten en de zorgen van het academische leven. 

Gespiegeld aan deze draad zit een draad over het geheugen. Het is niet voor niets dat Viviens eerste man dementeert, en dat de 22e-eeuwse onderzoekers, hoeveel materiaal er ook is overgeleverd uit de vroege 21e eeuw, moeite hebben te reconstrueren wat er nu eigenlijk gebeurd is. Alles raakt altijd uiteindelijk weer vergeten. Want zonder dat valt er misschien ook niet voort te leven. 

Reacties