Nisrine Mbarki Ben Ayad. Oeverloos. Pluim 2022.



Nisrine Mbarki Ben Ayad, de nieuwe Dichter der Nederlanden, kent heel veel talen – een nieuwe vormvan geleerdheid, waar mensen nog aan moeten wennen. Je hoeft voor haar werk geen Grieks en Latijn te kennen, of te kunnen opzoeken, maar wel Berber en Arabisch. Vooral die laatste taal zit in al haar werk verweven – ze plaatste in haar eerste gedicht als Dichter des Vaderlands die taal zelfs op de voorpagina van NRC. Ik schreef daar toen over.

In haar debuutbundel Oeverloos uit 2022 staat een gedicht dat gaat over taal: tong. Het is, zoals de titel al zegt, een heel lijfelijk gedicht over taal – over de tong, de keel, de stembanden en de huig, waarmee we klanken maken, over de letters waarmee we ze opschrijven. Het begint zo:

mijn moeder ontnam mij haar taal en zichzelf
mijn kindertong werd overgeleverd aan
harde kloosterklanken op veengrond
geprevelde gebeden die altijd alles bezweren
achtergebleven scheldpartijen van oude krijgsmachten
oude tekens op getatoeëerde kinnen van moeders moeders moeders
sindsdien sleep ik het lot aan haar kruin achter me aan

In een interview met Onze Taal verklaarde de dichteres de titel: "Dat slaat vooral op het feit dat zij met mij haar moedertaal niet sprak." Het gedicht beschrijft vervolgens de situatie van degene wier taal niet de taal van haar moeder is, maar die deze 'uiteindelijk' toch leert en koestert. En dat dus met haar hele spraakapparaat, maar ook met haar ogen, waarmee ze de 'oude tekens op getatoeëerde kinnen' ontcijfert.

Dat visuele zit ook in een latere regels als:

in mijn mondholte herschiepen jullie wezens
waarvan je de naam niet mag uitspreken
hun scherpe gekrulde ⵉⵙⴽⵉⵯⵏ dreigden dagelijks
mijn huig te verbannen

Dat ⵉⵙⴽⵉⵯⵏ is in eerste instantie een plaatje dat inderdaad lettertekens zien die scherp gekruld zijn. Dat is misschien ook gewoon genoeg, daar hoeft je moeder geen woord Berber voor te hebben gesproken met je. Een beetje zoeken leert: in Tifinagh, het traditionele Berber-schrift staat het woord voor iskiwn en dat betekent 'horens', waarop de woorden scherp gekruld natuurlijk ook van toepassing zijn.En dat geldt misschien ook wel voor de klanken van het woord, met die hoge klinkers en een s en een k. Je kunt wel opzoeken wat het betekent, maar het is nauwelijks belangrijk. Het Tifinagh is hier dus op allerlei manieren gebruikt als illustratie, als embleem.

Zoiets doet de dichter een paar regels later ook met het Latijnse en het Arabische schrift:

hoeven vertrapten eux en oui en liefkoosden ي en م om hun vloeiende vormen

De Franse woorden eux en oui zien er vertrapt uit; de Arabische letters ق (de j) en م (de m) hébben vloeiende vormen; ze staan ook voor sonorante klanken. Het gaat er daarbij niet of nauwelijks om wat ze betekenen.

Er zijn lezers die dit stoort, of in ieder geval, die vinden dat het wel even moet worden uitgelegd. Op mijn stukje over haar Dichter der Nederlanden-gedicht kreeg ik knorrige reacties van lezers die meenden dat het geen pas gaf als 'neerlandici' geen voetnoten gaven bij al die exotische woorden. Ook de recensent van Oeverloos in Meander vond het slordig, nee 'slonzig', nee, 'een doodzonde' dat de uitgever geen voetnoten had geplaatst.

Ik ben het daar niet mee eens. Enerzijds gaat het hier niet om raadseltjes waarvan de uitgever van het puzzelboekje wel achterin de oplossing moet geven. Je moet geen voetnoten aan moderne gedichten toevoegen, tenzij die voetnoten onderdeel zijn van het gedicht. Men gaat toch ook geen voetnoten plaatsen bij het Grieks van Ida Gerhardt? En tegelijk kun je zulke dingen in deze dagen van online naslagwerken ook makkelijk zelf vinden. Het is toch ook interessant en fijn om je te verdiepen in nieuwe talen.

En als je het dan niet woordelijk begrijpt?

يا للأسف

Reacties