Ook in een kapotte wereld kan de tuin van Eden nog even bestaan. Chaja Polak schreef er een mooie novelle over, een verhaal over een meisje dat geluk vindt in de afgeslotenheid, even helemaal alleen met een geliefde.
Eerst als kind met haar moeder, die ze 'juffrouw' noemt, en naast wie ze eindeloos op een matras kan liggen in de kamer, op de stukken waar de zon op de vloer schijnt:
De zon scheen er altijd en legde lichtende kleden op de houten planken. Ons matras lag daar middenin. Zodra het zonnekleed zich verplaatste, verplaatsten mijn juffrouw en ik ons matras en schoven die het nieuwe zonnekleed binnen. Zo lagen we daar samen, dicht tegen elkaar aan, en de zon verwarmde ons.
Dan als zestienjarige met een Franse jongen, Pierrot, stiekem zoenend terwijl hun chaperonne Lise, Pierrots zus, verderop zit te lezen in de tuin in Normandië. En nog weer veel later, als moeder sterft, voorovergebogen in het bed. Het zijn allemaal afgesloten ruimtes, zoals het meisje ook afgesloten ruimtes creëert in de brieven die ze alleen aan haar moeder schrijft, en die ze dan weer verscheurt.
Zoals het boekje Eden zelf een afgesloten ruimte is, een boekje vol liefde.
Dat er goede redenen zijn om het geluk af te sluiten, dat wordt alleen maar terloops vermeld. Dat moeder en dochter elkaar in de jeugd van de dochter lang van elkaar gescheiden zijn geweest, dat de dochter toen bij andere mensen zat, waarvan ze de vrouw ook mama moest maken om geen argwaan te wekken. Dat we over de vader van het meisje nooit iets horen. Dat haar oom opeens 'terugkomt' uit buitenland, zoals de vader van Pierrot te voet uit Litouwen naar Frankrijk is 'teruggekomen', met alleen een citroen op zoek. Dat de volwassenen allemaal een groot verdriet in zich lijken te dragen. Dat moeder in een tussenzin onthult waarom ze altijd maar in die kamer lagen – omdat het kind bang was om de tuin in te gaan.
Het is allemaal heel ontroerend opgeschreven, al die prille liefde tegen de achtergrond van dat onuitgesproken verdriet. Onuitgesproken verdriet dat ook in een boek niet wordt uitgesproken is dubbel ontroerend. Omdat de schrijver het niet uitspreekt, moet je het zelf bedenken, en dat komt altijd harder aan. (Je weet natuurlijk dat Polak geboren is in 1941, dat kun je alleen maar meenemen in je begrip.) En omdat de personages het niet uitspreken, blijft het allemaal ook tussen hen onderling alleen maar hangen.
Er is dan ook voortdurend sprake van dat dingen niet worden gezegd. Ze worden misschien wel opgeschreven, maar dan in brieven die weer worden verscheurd. Maar Chaja vertelt haar moeder als kind ook niet dat ze in de klas ooit zo verdrietig werd om Alleen op de wereld dat ze bij de meester op school moest. Zoals Pierrot en Lise ook nooit echt praten over de grote ruzies die hun ouders maken, en die zij 'theater' noemen.
En bij dat alles bloeit de liefde, die zuivere, ongerepte liefde die alleen een kind voelt.

Reacties