Aan het eind van Vuile handen zit Maarten Koning in de trein. Hij heeft net een lezing gegeven in Münster, waar hij voor het eerst is uitgenodigd, omdat zijn ster begint te stijgen in zijn vak. En hij heeft vuile handen:
Ze schrijnden en waren zwart van het vuil, maar hij was te moe om zich daar op dat ogenblik zorgen over te maken.
Die handen komen verder weinig voor, in Vuile handen. Af en toe geeft iemand een ander een hand, of slaat iemand de handen ineen, en een enkele keer geven Maarten en zijn medewerker op van het met je handen werken. Maar alleen op dit punt worden ze vuil.
Natuurlijk is dat symbolisch én een verwijzing naar Sartre. Maar je krijgt toch ook een beetje idee dat die zwarte handen op het laatst vooral schrijnen om de titel te verantwoorden. De noodzaak om vuile handen te maken is wel iets dat wordt besproken in het boek, maar je kunt het toch niet echt het centrale thema noemen. Er is misschien wel geen centraal thema.
Het gaat wat mij betreft meer om de details. Zo kun je met evenveel reden zeggen dat Het Bureau gaat over taal. Personages, vooral bijpersonages, worden gekarakteriseerd door hun taalgebruik. Dat is een handige manier om ze uit elkaar te houden: oh, deze man zegt in iedere zin 'meneer' ('Dat zal ik doen, meneer', 'Goed, meneer'), dus dat was die nieuwe telefonist, De Vries. Ik geloof dat dit een klassieke techniek is, die ook door bijvoorbeeld Russische schrijvers van grote romans werd toegepast.
Maar het gaat verder. Op de congressen waar Maarten komt spreekt iedereen Duits, en Voskuil vertaalt dat niet, zoals de meeste schrijvers zouden doen, maar geeft uitvoerige dialogen en samenvattingen van lezingen in het Duits. Zoals de gesprekken van dialectsprekers in het dialect zijn (ik vraag me af hoe Voskuil met name dat laatste voor elkaar heeft gekregen – had hij iemand die het Achterhoeks meelas? Of was hij zo taalgevoelig dat hij precies onthield hoe mensen het hadden gezegd?)
Een intrigerend kenmerk is de 'rollende r'. Met name het personage Bart Asjes, die voor Maarten werkt maar altijd veel meer op de letter van de regel is dan zijn baas, zet die in:
'Ja, maar het gaat ook om het principe!’ zei Bart met een duidelijk rollende r.
'Ja. Als we geen harde gegevens hebben, dan ben ik daartegen. We moeten eerst harde gegevens hebben!’ Hij liet de r in harde rollen.
Maarten spiegelt dat, als we ervan uitgaan dat een herhaalde r rolt:
'Jij wil harrrde bewijzen,’ zei Maarten ironisch.
Maar ook Maartens vader doet het als hij zich wil laten gelden – het is dus geen generatieding:
'Juffrouw!’ zei hij autoritair, en hij liet de r rollen.'Jufrrrouw!’ zei zijn vader al op weg naar de trap, zonder om te kijken, alsof hij haar een verwijt gemaakt had.
Het gekke is: ik kan me er iets bij voorstellen, mensen die overdreven duidelijk spreken kunnen daarmee het signaal geven dat het ze ernst is wat ze zeggen. Maar specifiek met die r heb ik het geloof ik nooit iemand horen doen. Het is in de afgelopen vijftig jaar misschien verdwenen.

Reacties