Er bestaan volgens sommigen geen ideale docenten Nederlands, maar Joke Brasser komt verdacht dicht in de buurt. Ze is al lange tijd de vrouw achter de inspirerende website Klassiekers in de klas, en onlangs kwam van haar een boek uit: Oude teksten voor de klas, dat zo inspirerend is dat je al je vrienden zou gunnen dat ze Nederlands gaven aan de onderbouw. En dan lekker met de tweede klas vmbo de Reinaert lezen!
Brasser laat in Oude teksten alles zien wat je van een docent zou wensen: hart voor de kinderen én voor de boeken; een grote eigen belezenheid, zowel in de Nederlandse literatuur als in het werk van Nederlandse en buitenlandse literatuur-vakdidactici (van Witte tot Mantingh, van Bax tot Stronks); aandacht voor de intellectuele vorming én voor de ontwikkeling van een breed pakket aan vaardigheden, van lezen en schrijven tot burgerschap. Voor Brasser is zelf lezen en nadenken hetzelfde als onderwijs geven over boeken: haar intellectuele bagage en haar liefde voor de letteren sturen wat ze in de klas doet; tegelijkertijd zorgt ze dat haar lessen open genoeg zijn zodat ze zelf verrast kan worden, en een nieuwe kijk kan krijgen op een klassieker.
Haar primaire voorbeeld is daarbij het Britse onderwijs. In het Verenigd Koninkrijk is een groot deel van het schrijfonderwijs gericht op het lezen van Shakespeare. De kinderen krijgen al in de onderbouw een paar eenvoudige stukken van hem aangeboden, en ook veel onderwijs over andere teksten moet er uiteindelijk toe leiden dat ze tot de zwaan van Avon kunnen doordringen. Wij hebben misschien geluk dat onze canon niet één zo'n stralende ster heeft, maar daar staat tegenover dat er vooral in de onderbouw wel heel weinig met de klassieken wordt gedaan. De 'oude teksten' uit onze literatuur komen pas in de onderbouw en worden daar in isolement aangeboden, alsof ze niets te maken hebben met wat de leerlingen verder lezen of beleven: curiosa die vooral lastig te begrijpen zijn.
Dat kan dus anders. Brasser betrekt haar voorbeelden in dit boek vooral uit de middeleeuwen: de Reinaert, Mariken van Nieumeghen, Moriaen, Der Naturen Bloeme, met wat uitstapjes naar andere tijden of genres (Lampje, de sprookjes van Andersen). Ze laat zien hoe je met zulke boeken juist ook kinderen uit de onderbouw, en ook uit het vmbo, kunt bereiken. Bij de Reinaert begin je bijvoorbeeld eerst samen te inventariseren welke fictionele vossen de kinderen allemaal al kennen, niet alleen uit boeken, maar ook uit films en andere fictie, en zo kun je laten zien dat er in fictie een hele verzameling stereotypen over vossen is opgebouwd. Vervolgens laat je de rapversie van Charlie May horen – en legt uit dat die in sommige opzichten dicht bij de mondelinge overdracht het origineel ligt, dat het immers ook moest hebben van rijm en cadans.
En zo valt er nog veel meer met dit materiaal te doen. Samen met haar collega Matijs Lips ontwikkelde Brasser ook nog een pakket waarbij ze vmbo'ers heel andere teksten laten lezen over vossen en wolven – bijvoorbeeld actuele nieuwsberichten over de terugkeer van de wolf in Nederland – en ze vervolgens teksten laten schrijven. Zoals een pleidooi voor de wolf; en dat mag dan Isengrijn zijn, of juist zo'n wolf die over de Utrechtse heuvelrug struint.
Zo presenteert ze bij ieder werk een combinatie van didactische theorie, eigen ervaringen én tips om zelf met het boek aan de slag te gaan. In het hoofstuk over Brandaan laat ze zien dat ze zelfs van een mislukking iets kan maken. Ze beschrijft hoe ze een keer een klas op sleeptouw nam om dat boek, in de berijming van Willem Wilmink, helemaal te gaan lezen. Die berijming is nog best ingewikkeld voor derdeklassers, en het verhaal schiet alle kanten op, wat niet alle kinderen konden waarderen. In Brassers eigen beschrijving liet ze zich zozeer meeslepen door haar enthousiasme voor die tekst, en het idee dat het in het literatuuronderwijs maar eens afgelopen moest zijn met die eeuwige fragmenten, dat ze misschien wat te veel voor haar leerlingentroepen uit begon te lopen. Tegelijkertijd geeft ze ook hier toch ook weer tips over hoe je het, wat kleinschaliger, wél zou kunnen uitpakken.
Zelfs als je helemaal geen eerste-, tweede- of derdeklassers hebt, is dit door de geestdrift en de intelligentie een heerlijk boek. Het Nederlandse literatuuronderwijs mag heel blij zijn met Joke Brasser.

Reacties