Over het onderwijs Nederlands zal misschien wel altijd geklaagd worden. Dat is ook belangrijk, want het is natuurlijk ook nooit helemaal goed, en bovendien verandert de taal voortdurend, en de manier waarop mensen met taal omgaan, en de media die ze gebruiken om via taal met elkaar in contact te staan. Het onderwijs Nederlands is daarmee een project dat voortdurend in ontwikkeling is.
Dat wil niet zeggen dat je niet af en toe je kunt laten inspireren door oude ideeën. Gisteren las ik de brochure Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden uit 1917 van de latere Nijmeegse hoogleraar Jac. van Ginneken. De titel roept natuurlijk de vraag op of dat onderwijs in 1917 echt ziek was en wat de wanhoop rechtvaardigde van dat 'nog ooit', maar aan het begin van zijn 'woord vooraf' schrijft Van Ginneken geeft hij al meteen de hele zin. Van Ginneken was een man van de grote gebaren en die schuwde hij in dit geval ook niet:
Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden, moet de opleiding der leeraars in de taalwetenschap: DE HEELE TAAL omvatten. (...) De heele moedertaal omvat van psychologisch oogpunt gezien zoowel vorm als inhoud, van sociologisch oogpunt al de belangrijke Nederlandsche taalgroepen, en van paedagogisch oogpunt: zoowel theorie als praktijk.
Alstublieft. In de rest van de brochure werkt Van Ginneken een en ander met flair uit. Het taalonderwijs moet dus niet alleen maar over schrijftaal gaan, of over standaardtaal, maar ook over dialecten, en andere groepstalen. Het moet aandacht hebben voor het feit dat communicatie in taal altijd een vormkant heeft (grammatica, de vorm van woorden) en een inhoud en dat de mens aan al die vormenrijkdom een grote inhoudelijke rijkdom koppelt. Het moet zowel gaan over de 'theorie', en aandacht besteden aan de vele inzichten van de taalwetenschap, als over de 'praktijk', en de leerlingen alle vaardigheden tot op het hoogste niveau bijbrengen.
Het is, met andere woorden, alsof je de ideeën van het Meesterschapsteam leest. En die ideeën zijn nu voor een groot deel verwerkt in de kerndoelen en eindtermen voor het Nederlandse taalonderwijs, dat hiermee dus mogelijk eindelijk gezond kan worden.
Eén belangrijke verandering sinds Van Ginnekens tijd is wel dat de term moedertaalonderwijs wat ingewikkelder is geworden. Voor Van Ginneken was het Nederlands een grote parapluterm waaronder ook Fries, Limburgs, Zeeuws, Gronings, enzovoort vielen. Al die verschillende vormen behoorden dus tot de moedertaal van iemand die in Nederland geboren was, en omgekeerd kon je zeggen dat zo'n beetje alle Nederlanders dezelfde moedertaal hadden. Allebei die kanten worden nu een beetje anders gezien: aan het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch is de status van taal toegekend, en er hebben zich sinds 1917 veel mensen gevestigd in wiens leven nog weer heel andere talen (van Indonesisch tot Berber, van Sranan tot Arabisch) een belangrijke rol spelen.
Maar vanuit Van GInnekens brochure gezien, maakt dat allemaal niet zo veel uit. Ik denk dat je zou kunnen zeggen dat met de komst van al die mensen en die verveelvuldiging van talen onze gezamenlijke 'moedertaal' alleen maar nog een beetje ruimer is geworden, en dat ook Turks en Engels er een beetje bijhoren. Dat een gezonde omgang met meertaligheid daarom óók op de agenda moet staan als ons 'moedertaalonderwijs' ooit gezond wil worden. En gelukkig wordt ook daar in de plannen voor het nieuwe onderwijs in voorzien.

Reacties