Ei, foetus, baby is een meesterwerk van de wetenschapscommunicatie. Dat begint al bij het omslag, waarop een beeldje van een heel klein embryo (ik hoop dat ik het goede woord gebruik) wordt getoond en de titel Ei, foetus, baby: drie woorden in de drie talen die belangrijk zijn in het denken en schrijven over zwangerschap in Nederland, het volkse Nederlands, het geleerde Latijn, het internationale Engels, maar die ook samen de geschiedenis samenvatten voor zover Dehue die schrijft: van de ontdekking in de zeventiende eeuw van het feit dat vrouwen in de 'eierstokken' bepaalde cellen hadden die als ze eenmaal 'bevrucht' werden door een spermacel, uiteindelijk konden uitgroeien tot een nieuw mens, tot het heden waarin vrouwen op sociale media na een paar weken zwangerschap al schrijven over hun baby.
Want wat Dehue heel goed laat zien is hoe ons denken over deze zaken bepaald wordt door de woorden, de categorieën, die we kiezen. Zwangerschap is bij uitstek een periode van ambiguïteit: er groeit iets, maar is dat een deel van de vrouw, of een zelfstandig wezen? Tijdens de eerste momenten – rondom de conceptie – ligt het eerste het meest voor de hand, tijdens de laatste momenten – als het kind gebaard wordt – het laatste, maar hoe gaat het ene over in het andere? Alle namen en categorieën die je geeft (ei, embryo, foetus, baby, maar ook: vrucht, embryo, enz.) bepalen al hoe je over een en ander nadenkt. Je bakent de zaken af en creëert daarmee tot op zekere hoogte de waarheid. Feiten zijn, volgens Dehue, zaken die wij mensen maken, en die zelf ook weer de wereld maken. Dat laat ze meesterlijk zien in deze geschiedenis van de zwangerschap die natuurlijk voor een belangrijk deel een geschiedenis is van het nadenken over de zwangerschap.
Daarnaast is er natuurlijk ook het handelen. Een groot deel van het boek is ook een geschiedenis van de zwangerschapsonderbreking, waarin Dehue komt met het schokkende verhaal van hoe de katholieke kerk zelf eeuwenlang priesters zwangerschappen heeft laten onderbreken, vanuit de gedachte dat het heel belangrijk was dat ook ongeboren kinderen zouden worden gedoopt voor ze stierven. Als er dus iets mis was of leek te zijn met een ongeboren vrucht, kregen priesters de instructie de moederbuik open te snijden. Dat dit heel gevaarlijk voor die vrouw was, levensgevaarlijk, was van secundair belang: een goede moeder zou haar eigen leven toch over hebben voor het zielenheil van een kind? Op deze manier zijn er, vaak in het verborgene ('de moeder stierf in het kraambed') heel veel slachtoffers gevallen. En dit vanuit dezelfde overtuiging die de katholieke kerk, net als veel andere christelijke denominaties, zich nog steeds tegen abortus doet keren: de overtuiging dat een klompje cellen in de baarmoeder van een moeder al een mens is met een ziel, en met rechten – misschien wel meer rechten dan de moeder die als het ware om dat klompje cellen is heengebouwd.
Zwangerschap lijkt iets volkomen alledaags, maar goede wetenschap laat zien hoe complex het alledaagse is. Dat doet Dehue uitstekend, in een boek dat mij in ieder geval regelmatig versteld deed staan. Dat is één reden dat dit zo'n goed voorbeeld is van wetenschapscommunicatie.
Een andere reden is dat Dehue er in slaagt op een volkomen evenwichtige manier haar eigen achtergrond (geboren in de vroege jaren vijftig in een katholiek Brabants gezin) en haar mening (ze steekt haar afschuw over de praktijken van de katholieke kerk niet onder stoelen of banken, en ze is ook een hartstochtelijk aanhanger van 'abortuspillen' waarmee een vrouw zelf een menstruatie kan opwekken, ook na bevruchting) door haar wetenschappelijke betoog verwerkt. Als feiten zelf zozeer een onderwerp van discussie zijn, zonder dat we in relativisme vervallen, kun je als schrijver niet anders doen dan je eigen standpunt duidelijk maken. Dat doet Dehue met verve, en het maakt haar boek extra indrukwekkend.
Reacties