Hendrik Smeeks. Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes. Hertaling: Arjen van Meijgaard. Kleine uil, 2026.


Over Hendrik Smeeks weten we weinig, behalve dat hij chirurgijn was in Zwolle en in 1708 een heerlijk boek schreef over het door hem verzonnen koninkrijk Krinke Kesmes – waaruit je de schrijver (Kesmes is een anagram van zijn achternaam, en Krinke bijna een anagram van zijn voornaam) goed leert kennen. Arjen van Meijgaard maakte voor Uitgeverij kleine uil een soepele hertaling, zodat iedereen nu naar een fantasieland kan gaan én naar de enthousiasmerende sfeer van de vroege achttiende eeuw.

Was Smeeks een goede schrijver? Je zou daartegen in kunnen brengen dat de Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes weinig gestructureerd is. De schrijver lijkt te schrijven over wat hem toevallig te binnen valt: de hoofdlijn is dat een scheepsman, Juan de Posos, schipbreuk lijdt en zo in het genoemde koninkrijk terechtkomt, en daar beschrijft wat hem zoal opvalt en/of verteld wordt over de geschiedenis en de organisatie van het koninkrijk. Maar van die overzichtelijke structuur, die toch al alle ruimte laat voor uitwijding, wordt herhaaldelijk afgeweken. Zo komt De Posos er op een bepaald moment een 'Hollander' tegen, El-Ho, die er al heel lang woont, en De Posos zijn levensverhaal geeft, waarin hij lange tijd – en voor Danie Defoe's Robinson Crusoe – op een onbewoond eiland heeft moeten verblijven. Dat verhaal wordt vervolgens uitgebreid verteld, zoals er in de hoofdstukken vóór er zelfs maar sprake is van een reis het zuidelijk halfrond, ineens in een uitgebreid betoog uit de doeken wordt gedaan wat de mogelijke oorzaken van scheurbuik zijn.

Maar dat is natuurlijk geen teken van slecht schrijverschap – de Max Havelaar zit ook zo in elkaar, en nog veel meer dan dat is Krinke Kesmes een boek dat viert hoeveel er te weten is, hoe heerlijk onze wereld is met zoveel onbekende zaken die je door nadenken en onderzoeken allemaal te weten kunt komen. Wat is alles toch machtig interessant!

Op Krinke Kesmes vinden ze dat gelukkig ook. Het is een eilandenrijk met onder andere een eiland voor alleen mannen én een eiland voor alleen vrouwen. Jonge mensen zijn een belangrijke doelgroep voor beide eilanden en dus hebben ze allebei een eigen universiteit, met dus alleen mannelijke en alleen vrouwelijke hoogleraren. Die vormen ook verschillende scholen op allerlei wetenschappelijke kwesties; zo is de consensus op de mannenuniversiteit dat er niet zoiets bestaat als een vacuum, terwijl de vrouwelijke geleerden besluiten dat het vacuum juist wel beslaat. Als op het vrouweneiland een enorme lading wetenschappelijke boeken uit Europa komt aangespoeld, schrijven ze allerlei brieven over hun bevindingen aan hun mannelijke collega's (het idee van een vrouwenuniversiteit was pure fantasie in de achttiende eeuw, maar Smeeks wekt geen moment de indruk dat die vrouwen mindere geleerden zouden zijn dan de mannen) en die brieven worden integraal opgenomen. En dat wordt dan weer afgesloten met:

Hierbij lieten de vrouwelijke professoren het voorlopig, om het de mannelijke filosofen op Nemnan [het manneneiland] niet al te moeilijk te maken, maar ook omdat ze nog andere zaken te doen hadden, zoals studeren en de zojuist verworven boeken bekijken.

Krinke Kesmes is tegelijkertijd ook weer geen utopie, simpelweg omdat niet alles er ideaal is. Of misschien is het juist ideaal omdat het niet ideaal is – zo valt er lekker veel te onderzoeken, hoe saai is de ideale wereld. Een belangrijke passage gaat over godsdiensten. In een eerdere periode is er ook al eens een schip gestrand, toen niet alleen met boeken, maar ook met een grote groep mannen van over de hele bekende wereld. De inwoners van Krinke Kesmes namen de gelegenheid te baat om niet alleen Arabisch, Nederlands, Maleis, Hebreeuws en allerlei andere talen uit die boeken en van die mensen te leren, maar om ook vast te stellen wat nu eigenlijk de beste godsdienst was van het christendom, de islam en het jodendom.

Het gevolg daarvan is een ontstellend gekrakeel, vooral door de vertegenwoordigers van ieder van die wereldgodsdiensten onderling. Christenen blijken het over van alles en nog wat onderling niet eens, net als de moslims en de joden; laat staan dat ze in staat zijn op een ordelijke manier met elkaar te discussiëren. Het loopt uiteindelijk zo uit de hand dat alle gelovigen maar naar een uithoek van het koninkrijk worden verbannen, waar ze alleen elkaar nog lastig kunnen vallen met hun geruzie en handtastelijkheden. Ondertussen laat de koning van Krinke Kesmes dan 'zijn wijze mannen' zelf maar een godsdienst bedenken, die bestaat uit vijf geboden, die natuurlijk integraal worden afgedrukt:

  1. Er is één almachtige God die hemel en aarde gemaakt heeft en nog steeds onderhoudt en alleen die zult gij aanbidden.
  2. Gij zult uw gezagsdragers dienen en gehoorzaam zijn en niet tegen hen in opstand komen; gij zult hun ouders en uw eigen ouders eren en gij zult gewillig belastingen betalen en hun vonnissen prijzen.
  3. Gij zult eerlijk en rechtschapen zijn tegen iedereen.
  4. Gij zult anderen behandelen zoals gij zelf behandeld wilt worden.
    En zoals alle haastige veranderingen die binnen een staat of groep mensen doorgevoerd zijn grote onrust veroorzaken, zo zal het deel van het volk dat de zon nog aanbidt, het volgende vijfde gebod moeten opvolgen:
  5. Gij zult de engel Baloka (ook wel de Opschrijver genoemd) alle ochtenden in het oosten groeten, met uw oude Priesters, want God heeft Baloka in de zon geplaatst omdat hij elke dag goede en slechte daden moet noteren.

Wat een fijn lijstje! Enerzijds (1, 3 en 4) een redelijke samenvatting van hoe een monotheïstische godsdienst in ellkaar zit als je alle poespas verwijderd, anderzijds (2 en 5) wat kleine satirische uitstapjes. De gulden regel – wat gij niet wilt dat u geschiedt – moet er natuurlijk in, maar ook wel een oproep om de vonnissen van de gezagsdragers te prijzen en om onrust onder de traditionele gelovigen te voorkomen, ook een oproep om de lokale tradities te blijven vereren. Naar verluidt bracht een en ander Smeeks overigens in de problemen, althans was hij een aantal jaar na verschijning van dit boek niet meer welkom in zijn eigen kerk.

Het is vooral een soort grappig realisme, dat leidt tot allerlei voor het verhaal onbelangrijke details, die Krinke Kesmes in deze hertaling tot een ideaal zomerboek maken. Het boek staat vol passages als deze:

Daarna vroeg ik de Garbon [de lokale begeleider van Juan] of ik de stad en de omgeving mocht zien. Hij antwoordde dat dat helaas niet ging voordat ze een bericht hadden ontvangen van ons schip en hun mannen weer terug waren gekomen. Maar hij wilde best met de gouverneur overleggen en ging direct naar hem toe.

Na ongeveer twee uur kwam hij terug met een positief bericht: ik mocht de stad in gaan en staan waar ik wilde.

Het blijft volkomen onduidelijk waarom er die restrictie is op de stad ingaan, en het bezoekje van de Garbon aan de gouverneur speelt verder totaal geen rol. En hoezo moeten we weten dat het onderhoud 'ongeveer twee uur' (niet 'twee uur', maar 'ongeveer twee uur') duurde? Omdat het leven precies van dit soort onnozele details aan elkaar hangt.

Reacties