Lieke Marsman. De dichter en de duivel. Pluim, 2026



Als je het al zou willen, is het niet gemakkelijk om onbevangen werk te lezen van een dichter die net dood is gegaan, en dan ook nog op jonge leeftijd. Lieke Marsman doet er in De dichter en de duivel alles aan om het de lezer wél te laten vergeten dat ze net dood is. Al is het maar door er indringend op te wijzen dat ze ongeneeslijk ziek was in een ongeneeslijk zieke wereld:

Wel jammer dat je het zo negatief bekijkt, ik ben zelf juist altijd dol op content over mensen die ongeneeslijk ziek zijn.

Menig dichter kan bij leven en welzijn al niet aan de verleiding ontkomen om de eigen onsterfelijkheid te tonen door te schrijven over grootse en dus onvermijdelijk abstracte thema’s. Maar Marsman was niet bang om in haar zwanenzang figuren als Gerrit Zalm en Dick Schoof op te voeren om de verschrikkingen van deze tijd op te voeren – zoals Dante trouwens ook deed in het Inferno waardoor Marsman zich heeft laten inspireren, niet met Gerrit en Dick, maar met de Zalmen en Schoven van zijn tijd, maar zoals weinig andere dichters sindsdien hebben gedurfd.

Maar Zalm wordt hier vereeuwigd met zijn holle neoliberale praatjes die zo scherp weerspiegelen hoe hij de wereld kapot heeft gemaakt, en Dick Schoof zal voortaan altijd voortleven in de harten der mensen met wat hij écht heeft gezegd:

Het doden van onschuldige kinderen
is bijna nooit goed te praten.

Met die woorden wordt de man als type zo trefzeker neergezet, dat hij nooit meer zal worden vergeten, in ieder geval niet zolang de mensheid onder figuren als hij nog heeft.

Het ik in De dichter en de duivel leeft in een wereld waarin deskundig geveild is aan makelaarstaal, aan reclametaal, aan neoliberale politieke taal, waarin op de een of andere manier ieder woord honderd keer wordt omgedraaid en gepolijst (‘Het Europees Parlement besloot / dat het woord vegaburger wel mag, / maar het woord vegakip niet’), terwijl we voorbij lopen aan wat er óók zou kunnen zijn: ‘een wanordelijk gespeld maar helder, prachtig paradijs’.

De wereld is ongeneeslijk ziek, en het antwoord van de overheid is dat we een noodpakket in huis moeten halen met water en chips. De dichter voegt daar aan toe dat je als je helemaal geïsoleerd bent je brein moet bezighouden met ‘het reciteren van wat je je maar kan herinneren / bij voorkeur gedichten, die zich daar goed voor lenen’.

De zwanenzang van Marsman is, kortom, een keiharde satire. En keiharde satire is altijd levenslustig. De dichter en de duivel is een voorbeeld van wat poëzie vermag – de taal schoonblazen. Ik zou het daarom aan jongeren cadeau geven maar ook om te laten zien dat je zelfs in deze wereld niet hoeft te wanhopen, omdat je je altijd ook nog tot op het laatste moment kunt verzetten. Stop het in je noodpakket, of beter nog: leer het uit je hoofd. Als het nodig is, kun je dan dadelijk zeggen of zingen, met de kanarie uit dit boek:

Ik leef,
Ik leef! Dus zal ik zingen
met overgave en uit volle borst, want niets
vult de borstkas zo volledig
als een laatste adem.

En daarna zingt de kanarie ook nog Artikel 30 uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Laten we die ook uit hardop zeggen, zolang onze borstkas gevuld is.

Reacties