Maud Vanhauwaert. Leven in mootjes. Das Mag, 2026.



Zijn de teksten in Maud Vanhauwaerts Leven in mootjes gedichten?

Er zijn theorieën die beweren dat zoiets bepaald wordt door de dichter of de uitgever of een andere 'actor in het literaire veld', zoals het jargon dat noemt. Als een dichter zegt dat vijf regels achter elkaar een gedicht zijn, dan zijn ze een gedicht. Als een uitgever roman drukt op de kaft van een stapel papier, dan is die stapel een roman. Maar bij Leven in mootjes is van dat alles geen sprake. De dichter noch de uitgever beweren waar dan ook dat het hier om gedichten gaat. De stukjes verschenen eerder in De Morgen, Vanhauwaert verzorgt daar twee keer per week deze Mootjes. Ze verwijst ook een paar keer naar de redactie van de krant. Alles bij elkaar zweren alle 'actoren' samen om dit als columns te presenteren.

Maar het zijn gedichten. Een gedicht is een tekst die zich onderscheidt van de gewone conversatie, vooral in vorm. Het is iets dat zich door vorm afbakent, zodat je weet: hier wordt niet rechtstreeks gecommuniceerd, als de dichter de woorden 'gij oude eik' gebruikt, hoeven we niet te denken dat zij inderdaad een oude eik voor zich ziet en daar een gesprek mee begint. Er is zelfs een term voor die bijzondere dichterlijke aanspreekvorm die niet bedoeld is voor het eigenlijke publiek: de apostrofe. Die actoren kunnen dat afbakenen doen door een boodschappenbriefje uit een supermarktkarretje te vissen en op een verder witte pagina te plaatsen, maar meestal gebeurt het door herkenbare vormkenmerken, zoals rijm of metrum of het onderverdelen van de tekst in regels en strofen.

Van rijm en metrum of zelfs van regels en strofen is in Leven in mootjes geen sprake. Maar er is wel zoveel aandacht voor de vorm als je bij een willekeurige bundeling van columns niet verwacht. In het boek is een rechthoekig gat gestanst, dwars door alle bladzijden heen. In dat gat zit een opgevouwen papiertje waarin Vanhauwaert in veel detail uitlegt hoe ingewikkeld het is geweest om zo'n gat te stansen: een rond gat lukt vaak nog wel, maar een rechthoekig gat in blaadjes papier veroorzaakt vaak moeten in de hoekjes – en die moeten zitten er ook in.

De rechthoeken zijn vervolgens een organiserend principe van iedere pagina. Je kunt er doorheen kijken naar het parkje waar je in een bankje zit te lezen, maar op iedere pagina is de tekst ook op de een of andere manier om het gat heen gezet. Waar je een dichtbundel meestal herkent aan het wit op de pagina, is dat wit hier verabsoluteert tot het niets. Zo weet je als lezer steeds: dit is niet de normale conversatie.

Vanhauwaert maakt bovendien in de teksten zelf gebruik van dichterlijke principes zoals herhaling. Er zit af en toe zelfs een duidelijke apostrofe in. Zoals in 'Komkommertijd':

Kom maar op! Met je flinterdunne schijfjes, je knapperige plakken, je kronkelende sliertjes, kunstige stukjes, je exquise bolletjes. Kom maar op, groente die eigenlijk fruit is en toch groente wordt genoemd. Misschien omdat gij van groen het uitgerokken toppunt zijt. Kom maar op, gij frisse fallus, met uw zaadlijsten en uw lichtbittere ruwe schil. Druppend, druipend. Gij, niet zo onderdanig krom als de banaan, maar dienstbaar buigend. Leptosome butler van het seizoen, kom maar op!

Je kunt natuurlijk zeggen dat het gedichten zijn waar je niet van houdt (ik houd er heel veel van), maar het is heel lastig om dit soort tekst niet als een lyrisch gedicht te zien. En de hele bundel als een definitieve vorm voor het prozagedicht: je hoeft geen regels af te breken om een gedicht te schrijven. Je hoeft alleen een rechthoekig gat te laten ponsen.

 

Reacties