Gerbrand Adriaensz. Bredero was een van de beste toneelschrijvers die het Nederlands ooit gehad heeft. Dat gold niet alleen voor zijn officiële toneelstukken, maar ook voor de liederen die verzameld zijn in zijn Groot-Liedtboeck. Dat zijn vaak kleine toneelstukjes, soms hebben ze letterlijk dialogen zoals 'Een oudt Bestevaertje, met een iong Meysjen' (een oud mannetje met een jong meisje):
L.
O Jannetje mijn soete beck!
Ey lieve blijft wat staen:I.
Wat schortje, seght jy ouwe geck?
Ick raetje laetme gaen.L.
Al 't gelt dat ghy hier leggen siet,
Dat is voor u al ree.I.
Wegh kael-kop, ick en soeck u niet,
Dat jy soeckt, soeck ick mee.
(Oh Jannetje, liefje, blijf even staan alsjeblieft – Wat is er mis met jou, ouwe gek? Laat me liever gaan – Al het geld dat je hier ziet liggen is allemaal voor jou – Weg, kaalkop, ik mot je niet, wat jij zoekt, zoek ik ook [dat wil zeggen een jonger iemand])
Maar ook de liederen waarin maar één stem klinkt, kun je vaak lezen als theatrale monologen. De DBNL-redactie koos vandaag het heel bekende, maar ook wat spanningsloze (man loopt 's nachts smachtend over straat, geliefde ligt in bed, c'est tout) 'Snachts rusten meest de dieren', maar veel spannender is bijvoorbeeld het Klaegh-Liedt dat Ramsey Nasr een aantal jaar geleden vertolkte (filmpje op YouTube) en dat het hele gamma van reacties van de afgewezen man laat zien: het begint lief en nostalgisch (De schoone tijd die 'k heb versleten, / En met u wil heb door ghebracht') maar loopt dan via teleurstelling ('Hoe sydy nuw // voor my soo schuw?') naar bedreiging (''t Is wonder datje niet en vreest: / Dat ick u eens // met vry wat reens, / Yet ongemeens // sal spelen op een tijd'). Waar hij aan het begin van het lied nog een en al voor lof is, noemt hij haar aan het einde een courtisane.
Klaegh-Liedt
Stem: Hoe lang sal ick met heete tranen, &c.Moy Aeltjen is't soo haest vergheten,
Myn lang vervolg van dagh en nacht?
De schoone tijd die 'k heb versleten,
En met u wil heb door ghebracht:
In vriendelijckheydt // in vrolijckheydt,
In vryicheydt// en soeticheydt van praet,
Van 's nachts tot 's morghens en des avonts laet?Myn Vrienden smaet, en 's Vaders toren,
Die heb ick om u, in't begin,
Met sware dreyging moeten hooren:
Maer't gingh soo haest my uyt als in,
Dat bleeck soo dick // wanneer als ick
Een blinck of blick // van u schoon oogen sach
Soo bleef ick by u den geheelen dach.Hoe dick nam ick u ted're handen,
En drucktens' aen myn slincker borst?
Daer my het binnenst' scheen te branden,
Van t' geen dat ick nauw spreken dorst:
Daer wenst' ick myn // een vensterkijn,
Van Kristalijn // of van fijn spieghel glas,
Dat ghy mocht sien hoe ick te moede was.So'k by myn hart had konnen komen,
Ick hadd' het met eerbiedicheyt
Stracx uyt syn legher-stee genomen,
En in u lieve schoot gheleyt,
Soo lief waerd dy // de siel van my,
Docht ick dat ghy // so wulleps waert van sin,
En so lichtvaerdich oock in uwe min.Daer ick ter Weerelt heb genooten,
De vreucht diemen verkrygen kan:
Daer wert my nu de deur gesloten,
En men hout daer een ander an.
Hoe sydy nuw // voor my soo schuw?
Of wien heeft u// so schandelijck gheraen,
Dat ghy my hebt dees trots en spijt ghedaen?Wat moochdy in u selven dencken,
Wanneer als ghy eens over siet:
Myn leurtjens en kleyne gheschencken?
Of't geender by ons is geschiet?
Soo hier, so daer // ghy weet wel waer,
Met wat gebaer // en gantsch verslingert hert,
Was ick gestaech in uwe min verwert.Wat woorden synder wel gesproken,
Bedencktse eensjens in uw geest?
Wat Eden hebje myn ghebroken?
't Is wonder datje niet en vreest:
Dat ick u eens // met vry wat reens,
Yet ongemeens // sal spelen op een tijd,
Is dat myn liefde noch verkeert in nijdt.Gaet heen geveynsde Kourtesane,
Begoghelt d'oogen, en het breyn:
Met uwe Kokedriele trane,
Van den verdwaesden Kapiteyn:
Dien blooten bloet // van wien ghy't goedt
Meer als't ghemoedt // en dat met reden acht,
Versteurt my niet, vaart wel en voort genacht.
Welkom in de manosphere in een zeventiende-eeuws lied.
Het biedt trouwens met een omweg ook een mogelijke alternatieve interpretatie voor 'Snachts rusten meest de dieren': hier is misschien geen stil lijdende minnaar aan het woord, maar een stalker. 'Wilt my u jonstich gheven / Een lieve weder min.' Of anders zwaait er wat!
Reacties