Han G. Hoekstra, Panopticum. Meulenhoff, 1946



De Constantijn Hyygens-Prijs is een prestigieuze literaire prijs. Toen in de afgelopen jaren Lieke Marsman en Connie Palmen hem wonnen, was dat nieuws.

In 1972 werd hij gewonnen door Han G. Hoekstra (1906-1988). Wat bewoog de jury? Hoekstra had een vrij omvangrijk oeuvre dat behalve uit journalistiek werk, ook bestond uit kinderliteratuur en wat traditionele poëzie. Er waren allerlei andere schrijvers (laten we zeggen: Annie M.G. Schmidt) die op dat moment de Constantijn Huygens-prijs ook nog niet ontvangen hadden; misschien was het omdat hij in Den Haag geboren was?

De DBNL heeft op zijn Sealy Challenge-lijst niet de bundel Panopticum staan, maar één gedicht uit die bundel, 'De ceder'. Als je de bundel verder doorleest, is dat ook volkomen terecht, want het is het enige gedicht dat enigszins beklijft. Het is de enige tekst die in de canon staat, die iemand die een beetje op de hoogte is van de 20e-eeuwse poëzie zou moeten kennen. Han G. Hoekstra was de dichter van één gedicht:

De ceder

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
En schimmel die een blinden muur aanrandt,
Er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
Stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
Niet te benaderen voor noodlots grillen,
Geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

'De ceder' is geschreven in 1941 en je kunt het lezen als zelf een ceder: temidden van alle mistroostige grauwheid van de oorlog plant de dichter een boom. Een ceder nog wel, met al zijn bijbelse connotaties. Het is bijvoorbeeld een verwijzing naar Ezechiël 17, een tekst met een grote poëtische kracht. (En toch kreeg Ezechiël nooit de Constantijn Huygens-prijs.)

Iedereen die iets over dit gedicht op wil merken zal dat allemaal opmerken, want de dichter heeft het de boodschap er met lillende scheppen bovenop gelegd: 'gij kunt het zien, gij schijnt het niet te willen', 'niet te benaderen voor noodlots grillen', 'geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen'. Al zoudt ge het niet willen zien, de boodschap van de kracht van dichterlijkheid wordt je door de strot geduwd.

Daarmee ondergraaft de dichter echter zijn eigen boodschap: hier wordt geen illusie gecreëerd, hier wordt alleen keihard in je oor geschreeuwd 'ik heb een illusie gecreëerd'.

Ook dat de omgeving grauw en grijs is, wordt ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt. In de binnenplaats liggen kennelijk sintels én schillen, de muur is beschimmeld én grauw. Aan de verbeelding van de lezer wordt niets overgelaten om duidelijk te maken hoe weinig verbeelding de 'gij' in het gedicht heeft. Zoals de ceder niet alleen rank en pril is, maar ook nog eens 'onaangerand'.

Dit gedicht kan volgens mij maar op één manier ontstaan zijn: de dichter viel de – inderdaad ijzersterke – regel 'Ik heb een ceder in mijn tuin geplant' in. Maar één regel krijg je niet gepubliceerd. Dus maakte hij er een rondeel van, zodat hij die regel een aantal keer kon herhalen, en vervolgens maakte hij zijn boodschap in de andere regels zo expliciet mogelijk.

Han G. Hoekstra kreeg uiteindelijk een oeuvreprijs voor die ene regel.

 

Reacties