Al lang ben ik geïntrigeerd door het gebruik van voornaamwoorden in gedichten. Jij gaat helemaal niet per se over de luisteraar: een gedicht dat zich richt tot 'gij, oude eik' veronderstelt niet dat er in de buurt zich een oude eik bevindt, en op dezelfde manier gaat ik niet per se over het lichaam waar de tekst uitkomt. Als ik Willem Kloos voordraag, 'Ik ben geboren uit zonnegloren', hoopt de luisteraar hopelijk niet dat ik een soort god ben. Waarnaar verwijzen die woorden wel? Wanneer gebruiken we ze? En hoe zit het met andere voornaamwoorden, zoals zij, die, het en dat?
In de aantekeningen bij Verzen (1890) van Herman Gorter doet Enno Endt daarover een intrigerende uitspraak bij het bekende gedicht 'Zie je, ik hou van je'. Eerst het gedicht:
Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht -
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het heelemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.
En hier een opmerking van Endt:
Hoe simpel de middelen zijn realiseert men zich als men stilstaat bij (...) het gebruik van je, waarmee Gorter als eerste en voorlopig enige dichter het u/gij van de priesterlijke dichtertaal met zijn heroïsche ‘grand manner’ opzij zet (later bij Nijhoff, Lodeizen, Hanlo; maar bijvoorbeeld bij Achterberg overwegend u/gij).
Die bewering is feitelijk onjuist. Je werd al veel langer gebruikt in gedichten; vaak ging het daarbij om grappige gedichten, of gedichten waarin bijvoorbeeld boeren aan het woord werden gelaten. Maar je vindt het ook al in serieuze liefdesgedichten in de Friesche Lusthof (1621) van J.J. Starter (dat is de oudste vindplaats die ik heb kunnen determineren, maar er zijn vast ook nog oudere):
Schone Margariet,
Myn genuchtje, wat suchtje?
Myn hartje, wat smartje?
Toch vind je elders in dit gedicht ook wel ghy, u en dy. En zoiets vinden we ook bij Bredero (bijvoorbeeld hier). Tot ver in de negentiende eeuw blijven in de poëzie gij (voor het onderwerp) en u (voor andere rollen in de zin) de normale vormen in gedichten, terwijl ze, in ieder geval in grote delen van Nederland, en zeker in Holland, in het gewone spraakgebruik allang verdwenen zijn.
Of dat 'priesterlijk' is, vind ik lastig te zeggen, maar er was, zo ongeveer tot Gorter, duidelijker sprake van een aparte dichterlijke woordenschat. Zoals geleerden geleerde woorden gebruikten, gebruikten dichters dichterlijke woorden. Gedichten onderscheiden zich ook nu nog altijd van gewone, alledaagse taal – je zou kunnen zeggen dat dit ongeveer de raison d'être is van gedichten, dat ze anders zijn – maar dat gebeurt niet langer met dit soort archaïsche woorden die specifiek zijn voor het gedicht. Of dat nu precies met Verzen begonnen is, zou iemand een keer precies moeten uitzoeken, maar Gorter heeft er wel een duidelijke stap in gezet. Er worden momenteel, wederom: zeker in Nederland, nauwelijks nog gedichten geschreven waarin bijvoorbeeld een oude eik wordt aangesproken met gij of u.
Reacties