In de maand augustus lees ik alle 31 dichtbundels van de Sealy Challenge-lijst van de DBNL.
Jacob van Lennep (1802-1868) was een van de taalvaardigste schrijvers die de Nederlandse literatuur heeft gekend. Taalvaardigheid wordt in de letteren zelden bejubeld. Misschien is het wel iets ordinairs, het gaat niet over grote kunst, maar een talent, het klinkt daarom op zijn best ambachtelijk. Mensen tegen wie je zegt dat ze iets 'goed geschreven' hebben zijn over het algemeen geen beroepsschrijvers.
Over zijn 'Nederlandsche legenden' meldde de twintigste eeuwse geleerde Garmt Stuiveling dat "deze lichtvaardig berijmde legenden" slechts een "geringe artistieke waarde" hadden. Het zou dan ook volkomen terecht zijn dat Van Lennep ophield met zulke werken te schrijven toen de jonge Nicolaas Beets verscheen en zijn Jose uitgaf. Gelukkig heeft de DBNL-redactie zich van dit alles niets aangetrokken, en behalve Jose ook de Nederlandsche legenden op de zomerleeslijst gezet.
Misschien – als een geleerde man als Stuiveling het opschrijft, wie zou hem dan durven tegenspreken? – heeft Beets minder 'lichtvaardig gerijmd' en zo een grotere 'artistieke waarde' bereikt. Maar Van Lennep is heel lekker om te lezen.
Adegild is het verhaal van de zoon van Radbout, koning der Friezen. Die laatste wil zich maar niet door Frankische priesters laten overhalen om zich tot het christendom te bekeren. Sterker nog, hij stuurt een rooftocht uit die christelijke mannen op zee moet vangen om ze te offeren aan Wodan. Adelbert reist mee, en raakt onderweg betoverd door een Britse christin die door zijn vaders piraten gevangen is. Hij krijgt het aan de stok met de opperpiraat vanwege diens onbehoorlijk gedrag jegens de christenen, maar uiteindelijk komt de Britse in het water terecht, en Adegild erachteraan.
Iedereen gaat ervan uit dat hij dood is, maar uiteindelijk komen de twee gelieven toch aangespoeld bij het huis van een heidense priesteres, Tjetske. Als de opperpiraat moet duelleren tegen een van de Britse mannen (broer van de vrouw), trekts Adegild het harnas aan en triomeeft. Uiteindelijk wordt de hele heidense tempel waar een en ander plaatsvindt, verwoest.
Ik zei het al: heel lekker om te lezen, ook doordat je de indruk krijgt dat Van Lennep nu niet echt gedreven wordt door christelijke verontwaardiging over die heidense Friezen, het zelfs eigenlijk wel leuk vindt om erover te schrijven. Het hele verhaal is op rijm gesteld, en bij een mindere schrijver betekent dat al snel dat er allerlei overbodigd wordt gemeld om te kunnen rijmen, of dat de lezer na verloop van tijd de jamben uit de oren spuiten, maar Van Lennep vertelt een spannend verhaal dat toevallig rijmt, en doorschoten wordt door zowel christelijke als heidense liederen, banvloeken, smeekbedes en wat niet al. Wie mist er artistieke waarde als ze aanstekelijk schrijfplezier kan ondergaan?
Hier is bijvoorbeeld een fragment aan het eind van het zesde hoofdstuk (de 'zesde zang') als de hele heidense boel in elkaar stort:
Angstig vlucht het bang geveugelt.
Onweêrstaanbaar, onbeteugeld,
Loeit en raast het windenheir.
Uitgerukt, van-een gespleten,
Met den wortel neêrgesmeten,
Stort abeel en eik ter neêr.'t Wild gediert, van schrik gedreven,
Haast zich, 't woudhol uit te streven.
't Moedig boschzwijn vliedt, vervaard:
En, hoe gretig tot verslinden,
Vlucht de wolf naast bange hinden,
En vergeet zijn woesten aart.Angstig beefden Radbouts grooten:
Angstig de offerfeestgenooten:
Dan, vervaarlijk rees hun kreet,
Toen de orkaan de tempelwanden
t' Aller zijden aan kwam randen
En zijn torens schudden deed.
Nee, je hebt hier niet de indruk dat de schrijver echt meent dat hij iets vreselijks beschrijft. Maar hij zet wel ieder woord op de juiste plek, en dat is ook wat waard.

Reacties