Joannes Six van Chandelier, Gedichten. Van Gorcum, 1991 [1657]

 

Helaas schrijven mensen geen brieven meer. Nu ja, een enkele oudere schrijver zal, stel ik me voor, nog met de hand geschreven epistels de deur uit doen, maar de vraag is of die antwoord krijgt. En of daar dan uiteindelijk een dik boek van komt. Laat staan dat iemand zonder literaire ambities – een industrieel, een politicus – uiteindelijk een tijdsdocument zal blijken te hebben achtergelaten waar historici nog lang van smullen.

Wat op dezelfde manier al eeuwen verdwenen is: dat mensen gedichten schreven. Dat er reizigers waren die een niet onverdienstelijk gedicht naar huis stuurden, of naar een vriend die zich een paar huizen verderop bevond. Het gelegenheidsgedicht, dat bestaat geloof ik alleen nog voor echt heel bijzondere gelegenheden zoals iemands overlijden – of natuurlijk voor Sinterklaas.

Een fenomeen als Jan Six van Chandelier (1620-1697) zal zich niet snel meer voordoen: een drogist die ook voor zijn werk (dus om aan kruiden te komen) veel reisde, en die van wat hij meemaakte verslag uitbracht in gedichten, die in eerste instantie alleen voor kleine kring bestemd waren, al maakte hij er op een bepaald moment ook een dikke bundel van, Poesy.

Een afdeling in die bundel bevat Spagedichten, dat wil zeggen gedichten die hij schreef naar aanleiding van een bezoek aan de badplaats Spa, nabij Luik. Paul Dijstelberge schreef er in 1993 een mooie studie over, waarin hij onder andere ook vertelt over hoe dat Spa er in de zeventiende eeuw uitzag, en hoe je er vanuit Amsterdam kon komen. Het zijn heerlijke gedichten, onder andere doordat je er Six' enthousiasme – hij was altijd blij als hij op reis was – in kunt lezen, en zijn neiging om allerlei zaken op te sommen. Niets brengt het verleden beter tot leven dan een goede opsomming, bijvoorbeeld van allerlei kwaaltjes en hoe die door de geneeskrachtige wateren in Spa genezen worden:

Veel siekten, waar de konst geen reede af kan vertellen.
De gallen, en taai slym verbrandende, en verkouwende,
Al 's lichaams aaders, met verstoppinge, benouwende,
Oorsaaken van veel quaads, verdunnen deurgesneeden,
Verteeren, en vergaan, gedreeven naa beneeden.
Het draaijend hoofd raakt vast. De sinkingen verdwynen.
Des neusgats bloedwel stopt. d'Ontsteeke ooghappels lynen
Veranderen in wit. De slappe maage, aan 't braaken,
Versterkt, heel greetich, naa het maalsel van de kaaken.
't Benaauwde hart verstrikt krygt locht, en werd ontveetert.
De heete leever koelt, van brandigh bloed verbeetert.
De loose stilt den hoest, en lenght den korten aassem.
De dichte milt ontstopt, en schiet geen boosen waasem,
Door vyf rivierkens, om de maage te vergallen.
De niergloed lescht, ontsweert, heur perssende kristallen
Verbryslen, met de steen, de blaase, en roede ontwaatert.
De buik vol winden barst, met stormen, dat het klaatert.
't Gedarmte voelt den loop, en wormen sich ontloopen.
De witte bloedvloed vindt de sluisjes niet meer oopen.

Rondom het dorp Spa lagen een aantal bronnen, en de watertjes daaruit smaakten allemaal net wat anders (zij het door alle zwavel en dergelijke niet per se heel prettig) en werden geacht ook een net wat andere werking te hebben. Maar in de buurt kon de reiziger ook wandelen en dansen, en er werd goed gegeten – Six beschrijft dat allemaal in detail in het lange gedicht Leeven te Spa waaruit ook de bovenstaande regels komen, vol met goede tips (eerst laxeren voor je aan een waterkuur begint).

Maar hij schreef daar in Spa nog veel meer gedichten, bijvoorbeeld voor een familielid dat er toevalligerwijs tegelijkertijd ook was. En hij maakte een soort persoonlijke aansporing om een aantal vrouwelijke familieleden (zijn moeder, zijn zus en een tante) ervan te overtuigen ook te komen:

Trouwen raad om naa het Spa te koomen aan Katarina Six &c. myne suster [en] Ioanna Iuliens, huisvrouw van Dr. Wilhelm Boogaard, [en] Susanna Iuliens, huisvrouw van Kornelis Simons vander Loef, myne moeijen.aant.

Stoppende milten, die de syde ontstellen,
Steenige nieren, die de blaase quellen,
Dorstige lyven, die van waater swellen,
Geloof myn sangen.

Wilt ghe geneesen? wie wilt niet geneesen?
Volgh geen geneesers, die de beurs beleesen,
Om, van Apteekers, als de beul te vreesen,
Uw heil t'ontfangen.

Liever bekostight, naa het Spa te koomen,
Waar men van 't Gasthuis sachter aangenoomen,
Selden, naa 't drinken van de heilbre stroomen,
Keert ongebeetert.

d'Amptman van Kortryk, zoo seer, van graaveelen,
Daagliks gemartelt, dat syn wangen geelen,
Dryft met Geronsters sterken vliet kareelen,
Graauw gesalpeetert.

't Waardhuis de Meulen, te Maastricht geheeten,
Zal flus haar meester, dikker omgemeeten,
Dan de Bredaton, van de sucht vergeeten,
Bly rank ontfangen.

Wy, wy vermeestert, eeven seer vol pynen,
Wy, die een schaaduw, meer dan lichaam, schynen,
Voelen de miltsmert wonderlyk verdwynen,
Na suur verlangen.

Suster, ook somtyds met dat deel verleegen,
Moeike, wiens lenden seer van steengruis weegen,
Moeike geswollen, als een blaas van reegen,
Sacht vol gesoogen,

Liefsten, ik bid u, om u beetervaaren,
Draal niet, met reisen, naa de Spabronaâren,
Die de verlooren heilinge bewaaren,
Maar kom gevloogen.

De tekst heeft helemaal de structuur van een reclamefolder, inclusief getuigenissen van patiënten (een 'amptman' uit Kortrijk, een Maastrichtse apotheker en Six zelf) en de verzekering dat artsen alleen maar uit zijn op je geld, terwijl je hier écht kunt genezen. Heel fijn zijn de slotwoorden 'kom gevlogen' die de zware, zieke lichamen van de familieleden bij wijze van spreken bij voorbaat genezen.



Reacties