Judith Hermann. Ich möchte zurückgehen in der Zeit. S. Fischer, 2026.

 


De ouders van Cees zijn 25 jaar geleden een paar dagen kwijt geweest. Ze zouden op een tripje gaan, maar ze kwamen niet aan waar ze zouden overnachten. Na een paar dagen en heel veel zorgen waren ze ineens weer terug, zaten ze koffie te drinken. En weigerden ze te zeggen waar ze al die tijd waren geweest. Ze waren, zegt de vertelster, in wat in het Deens een tidslomme heet, een wak in de tijd. 

De generaties voor ons hebben een eigen leven gehad, hebben, als ze nog leven nog steeds een eigen leven. Daar komt de verteller in Ich möchte zurückgehen in der Zeit – in de Duitse pers gaat men er voortdurend vanuit dat dit autofictie is, wie ben ik om dat in twijfel te trekken –gaandeweg achter. Ze schrijft het ergens zelfs letterlijk, over haar moeder: 'Ich verstand vielleicht zum ersten Mal, dass meine Mutter ein eigenes Leben gehabt habe.'

Wat doe je met dat eigen leven? De zus van de vertelster, besluit erin te gaan wonen. Ze is getrouwd met een Napolitaanse man, en nadat ze een tijdje op het platteland buiten de stad hebben gewoond, willen ze weer terug naar de stad. Dat kan, een collega van de man heeft een appartement vrij: zijn moeder is niet lang geleden overleden. Alleen: omdat die collega en zijn broer er nog niet uit zijn wat ze precies met de erfenis van de moeder moeten doen, moet de familie wel precies in het huis van de moeder blijven wonen zoals het is: eten van haar borden, haar beddegoed gebruiken.

Meine Schwester lebt in Napoli mit ihrer Familie in der Wohnung von Agata Alba. Agata Alba ist vor einiger Zeit gestorben, meine Schwester lebt also in der Wohnung einer Toten. In gewisser Weise tun wir das alle, wir alle leben, wie ich seit Radom weiß, in den Wohnungen von Toten, der Fall meiner Schwester aber war ein wenig spezieller, weil Agata nicht mehr da, ihre Lebensumstände hingegen unverändert waren.

De vertelster is op bezoek bij haar zus nadat ze een tijdje in het Poolse stadje Radom is geweest. Haar grootvader heeft daar tijdens de oorlog gezeten, als SS'er. Wat hij er gedaan heeft, weet de familie niet, hij is al vrij snel uit het leven van zijn kinderen verdwenen, en begin jaren zestig overleden. Ook in Radom komt de vertelster niet veel te weten over de tidslomme van haar grootvader. Wel heeft ze zelf een soort tidslomme, want ze heeft maar weinig contact met de mensen uit haar dagelijks leven. Niemand weet wat ze daar in Radom nu eigenlijk de hele tijd doet. 

Als ik het goed zie, zien veel Duitse recensenten die zoektocht naar de SS-grootvader als het eigenlijke verhaal; ook in de publiciteit van de uitgever wordt het zo aangekondigd. Maar mij lijkt dat misleidend, en de reden waarom sommige van die recensenten teleurgesteld zijn. Over die grootvader komen we evenmin iets te weten als over de ouders van Cees. Ter compensatie geeft de vertelster zich over aan soms wat kitscherige gedachten over derdegeneratieleed. Heel anders dan haar zus die eigenlijk nooit over negatieve dingen wil praten – maar wil door wil gaan.

Het verhaal lijkt me dan ook breder, en veel meer te gaan over hoe we om moeten gaan met de vele witte plekken of zwarte bladzijden in andermans leven. Zo interessant is die SS'er niet. Hij is vooral een voorbeeld.


Reacties