Juliana Cornelia de Lannoy, Nagelaten dichtwerken. A. en J. Honkoop, Leiden 1783



Nu we het einde van de maand naderen, moet mij iets van het hart: ik vind de DBNL-redactie niet altijd even gemakkelijk te volgen in haar keuzes. Het was goed geweest als ze die wat meer had toegelicht. Soms blijkt het te gaan om een compleet verzameld werk, en dan blijkt het weer te gaan om slechts één gedicht, waarbij dan mij lang niet altijd duidelijk was waarom nu precies dit gedicht de voorkeur verdiende. Vandaag staan op de lijst de Nagelaten dichtwerken van Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782). Waarom die en niet de tijdens haar leven uitgegeven werken?

Nu staan er onder die nagelaten gedichten nog wel wat gelegenheidsgedichten, maar ook een paar klassiekers, en met name natuurlijk het sonnet 'De volmaakte man':

De Volmaakte Man.

Gestadig in het werk tot nut van 't huisgezin,
En ievrig om zijn ampt met glorie te bekleeden;
Niet driftig, nooit geneigd tot wufte of dartle zeden;
Bezorgd voor zijn belang, maar wars van slecht gewin:

Aan 't spel niet toegedaan, aan Bacchus vocht nog min;
Bedacht om zelfs met nut zijn' speeltijd te besteeden;
Geen laf bewonderaar van vreemde aanvalligheden;
Verliefd, en tederlijk, maar op zijne Echtvrindin!

Getrouw tot in den dood aan de eedle vriendschapsbanden;
Bereid om voor den Staat zijn leeven te verpanden;
Meedogend, heusch, oprecht, wijs, vriendlijk, zacht van geest.

De Man, met zoo veel deugd, met zoo veel roem beschonken,
Die Man, zoo dubbel waard in Dichtlust mij te ontvonken,
Is, naar ik merken kan, nog nooit op aard geweest.

Juliana de Lannoy wordt, mede door dit gedicht, wel gezien als een onafhankelijke, ja misschien zelfs wel geëmancipeerde vrouw. Tegelijk laat dit gedicht zien dat ze wel degelijk ook vastzat in de ideeën over gender van haar tijd.

Wat opvalt aan deze deugdenlijst is vooral hoe weinig ze met het gezin te maken heeft. Het 'huisgezin' komt in regel 1 voor, maar dan meteen als bestemming van de arbeid des mans: hij is er "tot nut" van, hij is er niet noodzakelijk aanwezig anders dan de man die zondag het vlees komt snijden. Na die eerste regel verdwijnt het gezin helemaal achter de horizon en gaat het verder over ambt, glorie, staatsbelang en vriendschap. Het spiegelbeeldige genre — de talloze verzen op de volmaakte vrouw of deugdzame huismoeder — wordt hier omgedraaid: het huis is het domein van deze huisvrouw en alles daarbuiten is een risico voor haar.

Even veelzeggend is de lijst van ondeugden waar de man van wordt vrijgesproken. Deugd is vooral de afwezigheid van ondeugd, allerlei driften zijn van nature aanwezig, maar de volmaakte man bindt ze in: spel, drank, "vreemde aanvalligheden", slecht gewin, dartelheid. Dat zijn stuk voor stuk ondeugden van mannelijk privilege: je kunt alleen op die manier ondeugdelijk zijn als je geld, bewegingsvrijheid en toegang tot de publieke ruimte bezit. Een vrouwendeugdenlijst hoefde in de achttiende eeuw het speelhuis niet eens te noemen. Zoals 'meedogend, heusch, oprecht, wijs, vriendlijk, zacht van geest' voor vrouwen een gegeven waren, terwijl ze voor mannen als uitzonderlijk genoeg golden voor een gedicht.


Reacties