Nicolaas Beets. Jose. Een Spaansch verhaal. J. Immerzeel, 1838.

 

Er is een bepaald type racisme waaraan niemand aanstoot neemt, omdat mensen het over en weer van elkaar vinden en het vooroordeel betrekkelijk onschuldig is. Noord-Europeanen zijn koel, Zuid-Europeanen vurig. Dat lijkt me net zoveel onzin als alle racisme, maar zowel de gemiddelde zuiderling als de gemiddelde noorderling gelooft het, en dus kom je ermee weg.

Zoals Beets in zijn Jose. Een Spaansch verhaal. Het is een van de eerste werken van Beets (hij schreef het toen hij twintig was) en volgens zijn biograaf Honings wilde hij een personage maken 'dat zich laat leiden door zijn hartstochten'. Dat kon dus onmogelijk een Hollander zijn – het zou nog een paar jaar duren voor Beets de familie Stastok schetste –, dat moest wel een Spanjaard zijn, die dan ook nog José heette. Zoals het verhaal zich ook wel in de woeste middeleeuwen moest afspelen en niet in de keurige 19e eeuw.

Dat schrijf ik allemaal badinerend op, maar het is helemaal niet lastig om je door Jose te laten meeslepen, in ieder geval niet als je je in het zuiden van Europa bevindt. José is een verbitterde man van 28 jaar, hij heeft als kind zijn vader verloren en is daarna bij zijn moeder weggehaald omdat die hem geen ridderlijke opvoeding kon geven. Hij is daardoor wel een ridder geworden, maar niet ridderlijk: iemand die voortdurend woest om zich heen slaat. Het 'verhaal' (dat is de ondertitel van het gedicht, al is het een beetje zwaar) is dat hij op een dag – zijn hart is net een beetje weekgemaakt doordat hij uit een klooster een geestelijk lied heeft gehoord – zijn voormalige geliefde Florinde tegenkomt. Zij smeekt hem, mede namens zijn overleden moeder, om zijn liederlijke bestaan op te geven en zich aan God over te geven. José twijfelt even, maar besluit dan dat hij nog meer jaren wil wijden aan haat, wraak en wrok. Florinde kwijnt hierna binnen een jaar weg van verdriet, terwijl José verdwenen is. De slotregels van deze opera op papier luiden:

Maar na jaar en dag,
Vondt m', in een Pyreneesche grot,
Het lijk eens mans gestrekt op de aard,
En vóór hem - een gebroken zwaard.

Mijn samenvatting klinkt alweer een beetje badinerend, maar dat is omdat het voorwaar niet gemakkelijk is om de stemming waarin je moet zijn op te schrijven als je niet aan het begin van de negentiende eeuw leeft. Maar Beets is echt heel goed in beschrijvingen van het kalmerende effect van de natuur, zoals aan het begin van het gedicht, waar onze onsympathieke held nog niet meteen de boel komt verstoren:

Het was geen dag - het was geen nacht, -
Maar 't was dat stil en vredig uur,
Dat ademhalen der Natuur,
Wanneer aan 's hemels klaar azuur
De Zon haar dagreis heeft volbracht, -
Als 't blaauwrood waas de kimmen dekt,
De schaduw zich langs de aarde strekt,
De Maan heur avondpost betrekt,
En aan den zuivren, d' effen trans
De smetloos-reine zilverglans
Der blanke hoornen glimmen doet,
En spieglen in den gladden vloed,
Waar langs de mist des avonds zweeft,
En golfjen ruischt, noch blaadtjen beeft. -

Natuurlijk is dat alles slechts achtergrond voor zeer heftige gemoedswisselingen:

Voort trad hy, maar met sneller schreden -
Geen wonder! - 't hart sloeg haastig; - 't bloed
Vloot bruischende om door al zijn leden,
En de onrust van 't ontwaakt gemoed
Liet zich gevoelen tot den voet
Maar weldra; want hy was gewend
Zijn hart te sussen, zijn gedachten,
Te smooren, 't denkbeeld der ellend',
Waarvan hy prooi was, weinig te achten,
Den wilden stroom zijns jammers met
Het ijs der onverschilligheid
Te dekken -; trager werd zijn tred,
En over 't hol gelaat lag ras
De sombre koelheid weêr verspreid,
Waardoor het nog geduchter was.

Schrijvers die zichzelf serieus nemen, doen in onze eeuw niet meer aan kalmerende natuur of aan het expliciteren van zulke heftige gevoelens – sterker nog, in de loop van de negentiende eeuw begon Beets zelf Jose als een jeugdzonde te beschouwen. Maar het is allemaal natuurlijk nog steeds wel degelijk een deel van onze werkelijkheid. Gelukkig hebben we Jose om ons daaraan te herinneren.

Reacties